J. Bernlef, De tweede ruimte

Een ode aan halve gekken

Je moet een halve gek zijn om poëzie te vertalen. Bijsluiters en wetteksten, ja, of films ondertitelen, of voor politiek vluchtelingen tolken, dáár valt een broodwinning mee te verdienen. Maar met literatuur, laat staan poëzie? Dan moet je je vrije tijd eraan opofferen, of je afhankelijk stellen van een beurs van een literatuurfonds en vooral een goed aanvullend pensioen of een mooie erfenis voor je oude dag regelen.

Bernlef is naast dichter, romanschrijver (van onder andere 'Hersenschimmen' en 'Publiek geheim') en essayist zelf ook poëzievertaler en hij wil met het essayboek 'De tweede ruimte' een ode aan de halve gekken brengen. Want ook al kennen we in het Nederlandse taalgebied een grote vertaaltraditie, vertaalde poëzie ontsnapt volgens Bernlef vaak aan de aandacht van recensenten en verschijnt vooral bij marginale (lees: vaak Vlaamse) uitgeverijen: Uitgeverij P, Wagner & Van Santen, Poëziecentrum, Lannoo. Dat die vertalingen er toch komen, verklaart Bernlef met één woord: 'Liefdewerk, een ander woord is er niet voor. De vertaler is iemand die op een gegeven moment in de ban raakt van een bepaalde dichter of dichteres. Hij wil zich die gedichten eigen maken. Uit bewondering maar ook uit een soort zendingsdrang. Deze gedichten moeten toegankelijk worden gemaakt voor al diegenen die de moedertaal van de dichter niet machtig zijn.'

De tweede ruimte uit de titel is de ruimte die de taal van het gedicht schept naast, maar ook op basis van de 'werkelijke' ruimte. Bernlef ontleent deze term aan de Poolse dichter Zbigniew Herbert. Het inleidende titelessay is echter halfslachtig: ze bevat zowel de anekdote over Bernlefs eerste kennismaking met poëzie, als een verdediging van het vertalen van poëzie. Beide delen missen helderheid: in de anekdote vertroebelt de reflectie van de oude man het beeld van de zoektocht van de jongere, in de verdediging lijkt de mislukking ingebouwd. Ook de uitleg over de tweede ruimte had uitgebreider gemogen.

Vervolgens komen zeventien dichters uit de wereldliteratuur aan bod: hoofdzakelijk twintigste-eeuwse dichters, maar ook de Fransen Rimbaud, Verlaine en Bertrand uit de negentiende en de Chinees Meng Jiao uit de achtste eeuw. Bernlef plaatst tegenover de poëzie vooral de biografische werkelijkheid van de dichter, en soms ook de literaire traditie. Maar de spankracht tussen poëzie en werkelijkheid en de dialectiek van gedichten die ook werkelijkheid worden, komen in de meeste artikels veel te weinig aan bod om warm te kunnen maken. Zeker de hoofdmoot van het boek, een reeks kronieken die Bernlef eerder in het literaire tijdschrift Raster publiceerde, is oppervlakkig. De spannendste stukken behandelen Meng Jiao en Elizabeth Bishop: door de vergelijking van twee vertalingen wordt iets op het spel gezet. Maar ook hier haalt hij niet zijn eigen vooropgestelde doel om 'via vergelijking van het werk van twee vertalers iets meer te weten te komen over de specifieke eigenschappen van het werk'. Zijn commentaren op specifieke vertalingen zijn boeiend om te lezen, maar de terugkoppeling naar het volledige werk blijft wat op de achtergrond.

De meer uitgewerkte artikels komen achteraan het boek, wanneer Bernlef dichters bespreekt die hij zelf vertaald heeft: de Zweden Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer. Over de gedichten van die laatste zegt hij zelfs: 'Het was alsof ik deze gedichten al kende, het gevoel van déjà vu, alsof zij al ergens in mij aanwezig waren en het lezen ervan ze naar buiten bracht. Dit was het begin van wat je een 'kannibalistisch proces' zou kunnen noemen. Natuurlijk had ik deze gedichten zelf moeten schrijven! Maar Tranströmer had dat al gedaan. het enige wat ik aan deze deplorabele toestand kon doen was zijn gedichten in het Nederlands vertalen.' Vanuit die persoonlijke betrokkenheid komt hij tot een tekst, waar anekdotiek en inleving wel een mooi huwelijk aangaan. Ook de twee slotstukken over de Amerikaan John Ashberry en Zbigniew Herbert raken een snaar tussen Bernlef en de lezer.

Ook al brengen niet alle artikels nieuwe inzichten, het pluspunt is dat Bernlef uitvoerig uit het werk van de dichters citeert. De lezer kan zelf ontdekken dat de wereldtop aanwezig is: Wallace Stevens, Joao Cabral de Melo Neto, Roberto Juarroz, Fernando Pessoa, Giuseppe Ungarett ... Met dank aan hun vertalers, natuurlijk. 'De tweede ruimte' brengt niet altijd Bernlef op zijn best, maar als zijn naambekendheid ertoe leidt dat andere dichters meer gelezen worden, dan is de bedoeling van dit boekje toch geslaagd.

Details Poëzie
Auteur: J. Bernlef
Copyright afbeeldingen: Querido
Uitgever: Querido
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
144