Tommy Wieringa, 'Joe Speedboot'

Joe Speedboot, a man with a mission

“De nieuwkomer fluit een zacht liedje. Hij zal vrolijkheid brengen en verwarring zaaien. Hij draagt nieuwe tijd als een zwaard. Hij zal onze illusies aan scherven slaan en onze zwijgzame achterlijkheid doorbreken. Zijn gewelddaad brengt schoonheid maar wij zullen hem verjagen; het is geen tijd voor helden.”
Lomark, dorp aan de rivier. Verstild, ingeslapen. Achterlijk is zeker politiek incorrect, maar kom - achterlijk dorp aan de rivier. In zijn “Geschiedenis van Lomark en zijn bewoners” schrijft Fransje Hermans, die behalve zijn hersenen nog één arm kan gebruiken, alles op wat gebeurt. Niets ontgaat hem. “Het bijna onbewogen waarnemen, claustrofobisch bijna, maakt Fransje de gedroomde verteller, hij hoeft alleen maar te kijken”, aldus Wieringa. Joe Speedboot komt als een - geloof is toch weer oké tegenwoordig - bijbelse verlosser het verhaal binnen. Wanneer zijn familie naar Lomark wil verhuizen, rijden ze het monumentale trapgevelpand van de familie Maandag binnen. Moeder is bewusteloos en vader is geheel en al dood, maar een witbestoven dertienjarige jongen komt ongedeerd uit het wrak. Achter hem een licht. Sindsdien schrikt iedereen zich om de zoveel tijd een ongeluk door een enorme ontploffing ergens. Deze dingen schijnen te maken te hebben met Joe.
De roman "Joe Speedboot", die niet enkel opvalt door de titel maar ook door de voorkaft, is reeds het derde boek van de in België relatief onbekende auteur Tommy Wieringa. Hij debuteerde in 1995 met "Dormantique’s manco", is journalist voor NRC Handelsblad, mede-oprichter van het literaire tijdschrift "Vrijstaat Austerlitz" en schrijft ook gedichten en reisverhalen (onlangs gebundeld in "Ik was nooit in Isfahaan").
Recensenten zien er Paul Auster en John Irving in, maar wij kennen geen schaamte, het verhaal doet ons vaag denken aan "De vijf". Uiteraard na een extreme make-over en met een kantje af. "Joe Speedboot" is dan ook een echt jongensboek, over armworstelen, en vliegtuigen bouwen, en samoerais. Maar vooral vriendschap. De enige reden waarom vriendschap verandert, volgens de auteur, zijn tijd en vrouwen. En in dit geval is dat een vrouw, meer bepaald de beeldschone Zuid-Afrikaanse Picolien Jane, afgekort tot Piedzjee. Wat een beeldschone vrouw met mannen kan doen, je houdt het niet voor mogelijk.
Maar er lopen nog een paar heerlijke personages rond in het boek. Naast de onnavolgbare Joe Speedboot, zijn er Engel Eleveld en Mahfouz, een andere inwijkeling, die een boot bouwt om naar Afrika te varen. Het zijn personages met een soort van stoïcijnse onverstoorbaarheid in zich, die het onmogelijke durven denken en dromen.
Dit alles wordt bekeken vanuit het – respect - redelijk geniale standpunt van de invalide Fransje, die de ontwikkelingen op de voet volgt. Dat zorgt voor een traag tempo – “De Ogen zien alles”, maar dan ook écht alles – , maar doordat de auteur scherp en flitsend schrijft gaat de spanning er nooit uit. “Wie gaat er nou in het gras liggen als ze maaien.” Behoorlijk scherp toch? Of: “Ze maken me gek met dat gehang rond mijn bed en dat geouwehoer over de handel en het weer. Vraag ik daarom? Nou dan.” Niet enkel de cynische gedachtes van Fransje zorgen voor animo, maar ook de soms absurde verhaallijn. Wanneer een personage sterft doordat een hond op zijn hoofd valt bijvoorbeeld. Tragikomisch is de correcte term geloof ik.
Doch, het lachen vergaat je vlug als er vlijmscherp overgegaan wordt tot één of andere ontroerende overpeinzing. Want als uiteindelijk blijkt dat alles weer bij hetzelfde blijft. 

Details Fictie
Auteur: Tommy Wieringa
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar:
2005
Aantal pagina's:
316