Gwy Mandelinck, Schemerzones

Vogelvrij

‘Schemerzones', de nieuwste dichtbundel van Gwy Mandelinck, is zo'n dichtbundel die zich niet gemakkelijk aan je overgeeft. De gedichten weten te boeien door de prachtige beelden, maar zweven soms iets te veel in het luchtledige. Toch loont het de moeite om ze te lezen, want er zitten pareltjes bij.

Mandelinck (1937) is een dichter die zijn sporen al heeft verdiend. Hij is de geestesvader van de Poëziezomer in Watou, waarvan de eerste in 1980 plaatsvond, en de laatste onder zijn leiding vorig jaar. Hij heeft een bescheiden aantal dichtbundels gepubliceerd waarvoor hij ook enkele prijzen in ontvangst mocht nemen.

Zijn anciënniteit is voelbaar in de gedichten. Ze zijn overwegend kort, en hoewel ze over het algemeen qua metrum prettig in het gehoor liggen, doet Mandelinck daarvoor geen concessies. De dichter weet hoe hij het hakmes moet hanteren. Er staat geen woord te veel in. Wat overblijft, vergt - misschien voor een stuk daardoor - veel leeskunst, zoals blijkt uit het gedicht ‘Dat er sterren':

‘Dat er sterren boven ons gespijkerd staan, / dat het hamert in ons hoofd; / de wereld ons te buiten gaat alsof men / op het kookpunt van het water naar / ons fluit; wij van dorst vergaan, / dat je een hand verheft / die voor een zee van tijd het zoute / van het zoete water scheidt.'

Het beeld dat hieruit oprijst, is er een van kleine mensen of dingen, van nietigheid ten opzichte van iets veel groters dat de kleine dingen overstijgt. We zouden er meer over kunnen zeggen, maar vermoeden dat elke verdere interpretatie meer steunt op onszelf dan op de tekst. Is dat een opmerking ten nadele van dit gedicht en, sterker, van Mandelincks gedichten? Dat hangt af van je eigen opvatting over poëzie. Ja, het gedicht bevat mooie beelden, zoals de wereld die ons te buiten gaat, en de herhaaldelijke allusie op water: het kookpunt, de zee van tijd, de dorst. Het prikkelt de fantasie en biedt een alternatieve blik op wat we al lang kennen, zoals hoe het de sterren beschrijft.

Tegelijk hebben we moeite met wat algemeenheden. Wie ‘ons' is, valt met een beetje voorstellingsvermogen wel in te vullen. Maar wie is ‘men'? Zou het de wereld zijn? Of een god, of goden? Of zijn het opnieuw de mensen, dus de personen die hij elders ook aanduidt met ‘ons'? Het spel met het fluitende kookpunt is doorwrocht, maar wat betekent het precies? Bij ontleding van de beelden tasten we soms in het duister. Mandelinck weet wel een sfeer te scheppen die erg beklemmend is, die lijkt te wijzen op onze eindigheid en op onze tekortkomingen.

Soms schiet hij echter recht in de roos, zoals bij het einde van ‘Euforie': ‘Wie stenigt / werpt zich vogelvrij'. In vijf woorden weet hij een compleet beeld inclusief waardering te scheppen. En als hij schrijft over de snikgeluiden die zeemvel over ruiten kan maken, is dat een treffend beeld. Zijn enjambementen (dus regelafbrekingen als de zin nog doorloopt), zijn ook op hun plaats. In het gedicht ‘Cave canem' ('Pas op voor de hond') is er een radicale breuk met het metrum als hij de regel afbreekt en een witregel laat na ‘de lijn strak'. De vorm van het enjambement en de inhoud van een trekkende hond komen perfect overeen.

In de tweede en laatste afdeling van de bundel zijn een aantal gedichten verzameld over Dadaab, een regio in Oost-Kenia met vluchtelingenkampen. Misschien dat de verwijzing naar Dadaab iets wegneemt van de stuurloosheid die we in de andere gedichten opmerkten, of misschien hebben deze gedichten uit zichzelf meer bepaalde inhoud. Ze kunnen ons in elk geval bekoren. Mandelinck weet, zoals in de rest van de bundel, met weinig woorden veel te suggereren, maar hier rijst een verhaal op over het dagelijkse kampleven, een verhaal van afzien, maar ook van onverwachte lichtpuntjes.

We vragen ons af wat Mandelincks gedichten met je doen als je ze hoort. Er bestaat dan niet de mogelijkheid om te lang na te denken over wat de dichter nu juist gezegd heeft. Maar het zou de waardering zeker ook ten goede komen, want zijn beelden zijn al dusdanig betoverend, zijn sfeer dusdanig alomvattend dat we de bundel ondanks een aantal vraagtekens hebben uitgelezen en herlezen. Met andere woorden: de dichter heeft geworpen, en wij zijn vogelvrij.

Details Poëzie
Auteur: Gwy Mandelinck
Uitgever: De Arbeiderspers
Jaar:
2009
Aantal pagina's:
53