Ruth Lasters, 'Vouwplannen'

Een gevat verlangen naar vat op de werkelijkheid

De Antwerpse schrijfster Ruth Lasters (1979) heeft de afgelopen jaren haar plaats verworven in het Nederlandstalige literaire landschap. Naast publicaties in De Brakke Hond, Deus ex Machina en Het Liegend Konijn werd ze opgenomen in de bloemlezing '21 dichters voor de 21ste eeuw'. Bij het grote publiek raakte ze bekend als winnares van de Debuutprijs 2007 met haar roman 'Poolijs'. 'Vouwplannen' is haar debuutdichtbundel.

'Vouwplannen' beslaat vier cycli (‘Doorgangen', ‘Spiertrekking', ‘Wetmatigheden' en ‘Gras') die samen goed zijn voor negenendertig gedichten. Lasters kiest steevast voor korte, concrete titels als ‘Kelder', Kluit', ‘Bezoek'... Ook in haar poëzie - die rijmloos is en meestal een ik- en jij-figuur bevat - vervalt ze niet in zwevend taalgebruik of hoogdravende omschrijvingen. Enerzijds wil ze de werkelijkheid vastleggen volgens concrete structuren, maar anderzijds houdt ze ervan om te spelen met de werkelijkheid, coherentie en voorspelbaarheid, wat het zowel voor haarzelf als voor de lezer uitdagend maakt. Ze kiest voor niet-rechtlijnige beelden, gebruikt plotse woordafbrekingen en beroept zich graag op dichterlijke vrijheden, zoals in ‘Tafels': 'Ik wil je aanraken die avond dat het sneeuwde / vorig jaar.'

‘Wetmatigheid' heet de derde cyclus, maar wetmatigheid is de lijn doorheen de bundel. De dichteres manifesteert concrete verlangens naar een ingrijpen in de werkelijkheid. Ze registreert de werkelijkheid niet zomaar en lijkt de realiteit zoals die ‘is' niet te willen aanvaarden. Ze graaft dieper, in een poging de werkelijkheid concreet te maken, zoals in ‘Vries': 'Er zou voor ieder mens ergens een kamer moeten groeien: / één millimeter nieuwe ruimte / als rente voor elk waardevol voorbij / moment.' Lasters wil de werkelijkheid, en daarbij ook het onzichtbare en het onvatbare, registreren en sorteren om ze grijpbaar en begrijpbaar te maken. Die toon vind je onder meer in ‘Doorgang': 'Ook deuren moesten maar eens gaan / renderen. Hun hoeveel open-toe per week, hoeveel / er druk door heen en terug, streng geregistreerd' en ‘Kelder': 'Ooit vindt men hem heus wel, die kelder vol met tellers / niet van water-/stroomverbruik, / maar meters van gedachten, handelingen, alle combinaties / werkelijkheid.' In ‘Herverdeling' wil ze iedere burger het hoederecht over één woord geven 'ook om eens / te kunnen aanbellen bij iets als / radeloosheid' en in ‘Zaal' heeft ze het over het openvouwen van stoelen, waarbij elke stoel voor elk ding staat 'dat ik jou niet zeg, voor elke niet- / aanraking.'

Ramen, deuren, trappen, appels... Lasters gebruikt heel concrete dingen, soms tot op het mathematische af. Zoals in ‘Dwang': 'Zichzelf genoeg neemt minuut 1 van het uur 2 / 60 centimeter de gedaante aan / van een verloren haar in bad.' De toon is er één van niets aan het toeval te willen overlaten, een wens naar duidelijkheid.

Die wens naar concreetheid leidt tot grappige gedachten. Zo gaat ‘Rug' over het idee om alle kemels die op het Groot Dictee der Nederlandse Taal geschoten worden op iemands rug te tatoeëren, 'ter promotie van / het menselijk falen.' Lasters is de notaris die de akte neerpent en daardoor komt ze even verrassend als gevoelig over. Haar verlangen naar concreetheid en wetmatigheden zal natuurlijk bij een verlangen moeten blijven, wat een interessante spanning in haar werk legt, omdat haar nood aan ingrijpen slechts plannen - vouwplannen? - kunnen blijven. Vast staat dat hier een dichteres aan het woord is die erg gevat omgaat in haar poging naar wat grip op de realiteit.

Details Poëzie
Auteur: Ruth Lasters
Copyright afbeeldingen: Meulenhoff / Manteau
Uitgever: Meulenhoff / Manteau
Jaar:
2007
Aantal pagina's:
53