Rudolf Hecke, 'Parcours Gainsbourg'

Even versplinterd als Gainsbourgs oeuvre

Toen Bart Van Loo zes jaar terug 'Chanson. Een gezongen geschiedenis van Frankrijk' uitbracht, viel op hoe sterk de band tussen de Nederlandstalige Belg en zijn tweede landstaal is gebleven. Het boek werd massaal verkocht, een stil bewijs dat de Romaanse invloed nog steeds manifest aanwezig is in ons cultureel DNA. De Engelse taal mag dan makkelijk zijn om de handleiding van ons koffieapparaat te begrijpen, maar een songtitel als 'Je suis venu te dire que je m'en vais' herbergt ze niet.

'Serge Gainsbourg heeft me op een totaal andere manier naar de Franse taal leren luisteren, waardoor ik er nu nog altijd zoveel plezier aan beleef.' Het is een quote van Jan De Smet (De Nieuwe Snaar) die Hecke opnam in de echokamer van herinneringen die dit boek is. Ondertussen is er zesentwintig jaar verstreken sinds Gainsbourgs dood, maar zijn muziek is misschien nu vitaler aanwezig dan tijdens zijn leven. Logisch, want net zoals David Bowie vertoonde hij een onstilbare honger naar nieuwe invalshoeken. Witte funk ('Love on the beat'), reggae ('Aux armes et caetera'), rap ('You're under arrest') en een album dat naar ons gevoel tot het beste behoort wat popmuziek ooit heeft opgeleverd ('Histoire de Mélody Nelson'). En dan vergeten we nog tientallen chansons waarin hij tekstueel excelleerde ('Le poinçonneur de Lilas', 'Un poison violent, c'est ça l'amour') en de vele dubbelzinnige hits die hij schreef voor o.a. Vanessa Paradis ('Tandem') of Françoise Hardy ('Comment te dire adieu').

Tijdens het lezen van dit uiterst interessant werk krijg je als lezer de indruk dat hij moedwillig een barrière opwierp tussen zichzelf en zijn muziek. Een soort pokerspel met media en publiek, wat bijvoorbeeld resulteerde in het hier uitvoerig behandelde incident tussen Whitney Houston en Gainsbarre (voor de ogen van miljoenen televisiekijkers verkondigde hij: 'I want to fuck her'). De manier waarop Hecke dit 'schandaal' ontrafelt, is naar ons gevoel exemplarisch voor het boek. Hij somt de welbekende feiten op en laat vervolgens de rechtstreeks betrokkenen aan het woord. Wat in veel gevallen nieuw licht werpt op Gainsbourgs karakter. Geholpen door een indrukwekkende - maar nergens pedante - feitenkennis gidst Hecke je langs de plaatsen en personen die een beslissende invloed uitoefenden op Gainsbourgs werk.

Neem het hoofdstuk 'De koolhoofd-man' waarin de auteur op zoek gaat naar de inspiratie achter het album 'L'homme à tête de chou' en daarbij belandt in galerij Fachetti. Waarbij en passant blijkt hoe divers het cultureel denkraam van Gainsbourg was. Johnny Halliday mag dan miljoenen platen hebben verkocht, het effect van zijn nummers deemsterde sneller weg dan een uitspraak van Zuhal Demir. Bij Gainsbourg krijg je als luisteraar steeds de indruk dat je je op een kruispunt van potentieel verrijkende invloeden bevindt: dichters Charles Baudelaire en Thomas Chatterton bedacht hij beiden met een nummer, schilder Thomas Gainsborough verleende hem zijn pseudoniem. Gainsbourg opereerde binnen een rijke Europese traditie en 'Parcours Gainsbourg' gidst je enthousiast door die doolhof van invloeden.

'Gainsbourg was een hedonist, hij klauwde de nagels scherp aan het leven.' Wie zo'n treffende, compacte definitie schrijft over een man wiens discografie uitgebreider is dan de menukaart van de lokale Chinees verdient veel lezers. En geef toe, 'Je m'en fous' klinkt toch beter dan 'I don't give a shit'.