Ronald Giphart, 'Harem'

Sprezzatura uit het hoge Noorden

In ‘Harem’ vertelt een man van net geen eenentwintig de bruisende geschiedenis van zijn familie. Ronald Giphart evoceert een zinderende sfeer van vrijheid, liefde en altruïsme. “Wie het best kan verliezen zal het gelukkigst sterven” gaat het in de roman, een waarheid die is ingekerfd in het DNA van de clan.

De knipogen naar de vrijgevochten jaren zeventig zijn legio, en toch is dit een verhaal anno nu dat uitdrukkelijk niet teert op maatschappijkritische sentimenten. Sterfotograaf Mac De Hoop woont met zijn vrouwen, kinderen en kunstenaars van divers allooi in de Melkerij, een voormalig fabriekspand in Stockholm en Gipharts versie van The Factory van Andy Warhol. De verteller van dienst is zijn zoon Liam die dan al jaren verhalen opdient aan zijn jongere halfzusje Ronja. Of neerschrijft in wat zijn debuutroman moet worden, pogingen die telkens eindigen met papier dat verfrommeld in een prullenmand verzeilt.

Tot hij op zijn twintigste rijp genoeg is om echt te debuteren en zich terugtrekt in een jagershut verscholen in de uitgestrekte Zweedse wouden. Een grootser contrast met de vloeibare hoofdstad verzin je niet. Dagenlang schrijft hij als een kluizenaar aan zijn roman, tot zijn vader hem uit zijn isolement haalt en voorstelt om van het echte leven te proeven door samen te jagen op wild. ’s Nachts, met als enige rekwisieten een fles elixir, het wapen van Mac en hun lichaamsgewicht in geduld.

Liam rekt de tijdsbeleving van zijn retraite op door voortdurend in het verleden te duikelen en anekdotes van Hampus (de trouwste soldaat van Mac en de echte roerganger van de Melkerij), Freija (Liams moeder), Tilde (de moeder van Ronja) of Nina te redden van de vergetelheid. In een van de gesprekken met zijn vader, die hij steevast Mac noemt als wil hij zichzelf van zijn eigen objectiviteit overtuigen, vertelt die zijn zoon dat debutanten altijd over zichzelf schrijven.

Die dialoog is behalve grappig ook intelligent, want het enige wat Liam niet lijkt te doen is over zichzelf schrijven, behalve dan de ontboezeming dat hij weerloos is voor blikken (tot twee keer toe). Giphart belicht Mac’s coming-of-age als fotograaf en ontvouwt zijn overtuiging dat een foto het verhaal is van de kijker. Een fotograaf is een geboren buitenstaander filosofeert hij en daaruit lijkt de echte verbinding tussen Mac en Liam te bestaan. Liam cijfert zijn emoties weg - dat zoiets onmogelijk is doet er hier niet eens toe -, en schrijft zoals Mac zijn Hasselblad bedient: als afwezige die geen sporen wil nalaten.

Het kunstenaarschap dat ze delen is een liefdesverklaring van het zuiverste soort. ‘Harem’ is hoegenaamd niet prekerig, maar als er één iets uit spreekt dan wel de verleidelijke smeekbede om vooroordelen van elke mogelijke kleur, maat en vorm overboord te gooien en een leven in stijl te ambiëren. “De wereld, met zijn spinners, is er namelijk altijd op uit om liefde onderuit te halen en te beschimpen” waarschuwt Liam zijn toekomstige lezers. Wat Giphart daartegenover stelt is een offensief van charme en sprezzatura, de bestudeerde nonchalance die van vele zuiderlingen het lijflied is.

Om Gipharts schrijfplezier kun je niet heen, telkens je denkt het verzadigingspunt bereikt te hebben doet hij er nog een schepje bovenop. Alsof hij ons uitnodigt om net als Mac alles te willen zien en de volheid van het leven te omarmen. Kortom een boek dat de vitale woorden van Spinvis’ fraaie lied Kom terug als motto zou kunnen hebben, en van dergelijke literatuur is er nooit genoeg.

Details Fictie
auteur: Ronald Giphart
Uitgeverij: Podium
Jaar:
2015
Aantal pagina's:
384