Roger Martin du Gard, ‘De verdrinking’

Verdrinken in een taalbad

Wie verdrinkt? Wie niet? Behalve de noodlottig-onafwendbare verdrinking waarin het verhaal culmineert, is het in Roger Martin du Gards ‘La noyade’ een en al verdrinking: voor de lezer, voor de militair die zichzelf compleet verliest in zijn amour fou, en voor de bakkersknecht die het lijdend/leidend voorwerp/onderwerp is van de novelle. Koortsige zinnen, eigenlijk schijnbaar haastig gekrabbelde dagboeknotities, duwen het publiek kopje onder in wat een heftig, zintuiglijk, zinnelijk taalbad is: ocharme honderd of wat bladzijden verhaal, waar de auteur zoveel werkelijk gevoel in wist te stoppen dat hij vreesde dat de fictie met realiteit kon worden verward.

Een man die schrijven kan, jazeker. Hoe kan het echter dat we Roger Martin du Gard vandaag quasi vergeten zijn? Zijn een Nobelprijs en een voorwoord van Albert Camus bij zijn integrale werk uitgegeven in de Pléiadereeks dan niet genoeg om minstens een eeuw te worden herinnerd als een groot schrijver? Misschien is het de lijvigheid van zijn oeuvre, dat vooral stoelt op twee grote projecten: ‘De Thibaults’ enerzijds, en het onvoltooid gebleven ‘Luitenant-kolonel de Maumort’ anderzijds – hebben (lees: nemen) we vandaag nog collectief voldoende tijd om dergelijke grootschalig opgezette romans tot ons te nemen?

Hoe dan ook was ‘La noyade’ bedoeld als onderdeel van het postuum uitgegeven magnum opus van de auteur, waarin de ontmoeting tussen narratief en beschouwing waar Roger Martin du Gard een patent op had meesterlijk wordt voltrokken. Toch is het niet onzinnig dat uitgeverij Meulenhoff zich voor een afzonderlijke editie engageert, precies omdat de Nobelprijswinnaar er in zijn correspondentie naar verwees als naar een op zichzelf staand werk. En inderdaad: de eerste zin sleept de lezer meteen mee in de onverbiddelijke draaikolk van de homoseksuele fixatie van de verteller, die zichzelf meer en meer blootgeeft als tegelijk passioneel-geobsedeerd en teder-verliefd.

De receptie van zoveel verlangen blijft mysterieus. Hoe Yves tegen de avances van sergeant De Balcourt aankijkt, wordt namelijk nooit geëxpliciteerd. Precies de latente meegaandheid – die elke kalverliefde kent – doet het vuur van de begeerte ondragelijk knetteren. Tijdloos zijn de beschrijvingen van het hunkeren dat Roger Martin du Gard in crescendo opbouwt, tot de verschrikkelijke climax waarin het ene primitieve instinct (liefdeshonger) zich met een ander al even biologisch gedetermineerde intuïtie (zelfbehoud) verstrengelt. Wat resteert als bezinksel, in het verhaal gedateerd maanden later, is een menselijke confessie: een gevoel van spijt, van verdriet dat zich als schuld manifesteert.

Naar verluidt wilde de schrijver nog een epiloog aan het verhaal breien, maar de laatste woorden zoals ze er nu staan – gesmoorde kreten van een moraal die zichzelf vergeefs tot de orde roept – zijn van een ongetemperde kracht. Aan ‘De verdrinking’ valt simpelweg niets toe te voegen. Of het zou wat meer aandacht moeten zijn van een breder lezerspubliek. Deze excellente vertaling vormt alvast een ideale opstap naar het oeuvre van wijlen de Nobelprijswinnaar.

Details Fictie
Verdrinken in een taalbad
Originele titel:
La noyade
Vertaald en van een nawoord voorzien door: Anneke Alderlieste
Uitgeverij: Meulenhoff
Aantal pagina's:
126