Ralph Meyer, Caroline Delabie & Xavier Dorison, ‘Undertaker 3: De reus van Sutter Camp’

Beter dan Blueberry

Stomp. Krimson. Anatool. De lijst met legendarische stripschurken is lang. Wat ze bijna allemaal gemeen hebben? Een bordkartonnen, door en door verdorven karakter. Sujetten waar niks goeds mee aan te vangen valt. Interessanter wordt het als een scenarist al eens durft af te wijken van die blijkbaar ongeschreven stripwet. Zoals Xavier Dorison in dit derde deel van zijn eigenzinnige westernepos ‘Undertaker’: het nu al onvergetelijke personage Jeronimus Quint doet je twijfelen aan wie nu eigenlijk de echte bad guy is.

Toegegeven: het eerste tweeluik van ‘Undertaker’ deed ons niet veel. Goed, de rugzak die doodgraver Jonas Crow met zich meesleept intrigeerde. De combinatie van Crow en de pedante Rose leverde af en toe vuurwerk op. En de manier waarop de undertaker zijn achtervolgers een - redelijk definitieve - hak zette, was knap gevonden. Maar de nieuwe Blueberry, de stempel die dit nieuwe paradepaardje van Dargaud meekreeg benedens onze landsgrenzen? Misschien net wat te veel eer.

Met ‘De reus van Sutter Camp’ moeten we onze mening herzien: dit is gewoon anders, donkerder en misschien wel straffer dan Blueberry. Terwijl je in deel één en twee van deze reeks nog volop kon sympathiseren met Jonas Crow, liggen de kaarten deze keer anders. Tegenstander van dienst Quint - de reus uit de titel - is een uitstekend chirurg in tijden dat een ontstoken teennagel nog fataal kon aflopen. Maar de man heeft een duister kantje: hij is niet vies van wat geëxperimenteer met zijn patiënten.

Crow en een oude wapenbroeder Charley zetten samen de achtervolging in op Quint, uiteraard vergezeld van de nadrukkelijk aanwezige Rose en de Chinese Lin. De twee mannen hebben nog een appeltje te schillen met de chirurg, maar wat er precies gebeurd is in het verleden blijft vaag. Wel weten we dat Charleys zoon verdwenen is tijdens zijn zoektocht naar Quint.

Het lijkt op het zoveelste kat-en-muisverhaaltje, maar Dorison heeft een paar goddelijke ingevingen. Op zowat iedere pagina word je op het verkeerde been gezet, en begin je Quint te geloven. “Wie van ons tweeën is het kwaad”, eindigt zijn indrukwekkende relaas tegen een koortsige Rose. Slik.

En dan die tekeningen en kleuren! Wat een vondst om Quint af te schilderen als een goeiige, chubby knuffelbeer: je kan gewoon moeilijk geloven dat deze man een monster is. De sfeervolle inkleuring van de tandem Meyer-Delabie - die nachtelijke knokpartijen in het bos! - maakt het plaatje compleet.

We wagen ons hier op glad ijs, maar misschien wordt deze ‘Undertaker’ toch nog beter dan Blueberry? De titel van deel vier - ‘De schaduw van Hippocrates’ - doet alvast het beste vermoeden.