Pjeroo Roobjee, 'De zomer van de neusbloedingen'

Mijn vlakke land

Een onverzadigbare dorst naar begeerte houdt de protagonisten van ‘De zomer van de neusbloedingen’, de nieuwe roman van Pjeroo Roobjee, in een wurggreep. Zijn onnavolgbare woordenschat zet het verhaal in lichterlaaie. De veelzijdige meester-stilist stelt andermaal niet teleur.

De (anti-)held van dienst is Thilo, een zinderende zomer in de gated community Engelenpoort het schimmige decor. Roobjee verkneukelt zich over de drama's van de kleinburgerij die hij zich in het vizier haalt. Thilo, gehersenspoeld door een Vlaamsgezinde, oerkatholieke goeroe, laat er niets aan gelegen de liefde van zijn beeldige buurmeisje Doris voor zich te winnen. In het knerpende kreupelhout begluurt hij de bijeenkomsten van zijn ouders en hun buren, die symbool staan voor de ledigheid van hun bestaan.

Proef van een willekeurige alinea op een lukrake pagina uit 'De zomer van de neusbloedingen' en de eigenzinnigheid ervan boort zich genadeloos een weg naar die regionen van het brein waar een vereenzelvigende vervreemding de plak zwaait. Het lichaamseigen idioom van Roobjee is daar schatplichtig aan, meer nog dan de bonte stoet van manke personages die hij steevast opvoert. Met min of meer in onbruik geraakte woorden als "spioenen", "voeteren" of nog "veziken" hult hij zijn verhaal in een moeilijk bij de lurven te vatten waas van verre nabijheid. Taal als anachronisme in een context die dicht tegen de onze aanleunt. De lezer, hij blijft beneveld achter.

Als de betreurde cultschrijver J.M.H. Berckmans de ongekroonde koning is van de vrije associatie in de literatuur van de Lage Landen, dan is Roobjee een waardige kroonprins. De ideeënvloed die zijn vorige romans typeerde, is ook nu prominent aanwezig. "Hij zweeg om intenser te kunnen nadenken, stak een chiquelette tussen zijn verwaaide ivoren wachters en fezelde zinledig." Het is alsof zijn pen, het kan niet anders of het is een ganzenveer die hij na iedere verhaalstoot morsig in de inkt doopt, met hem aan de haal gaat en hem slechts de eer is gegund hier en daar een leesteken aan te brengen, om het verhaal in te tomen, de demonen die in de witregels huizen de mond te snoeren.

Vruchteloos is de zoektocht naar een passage waarin hij afbreuk doet aan die kolkende, in branie gedrenkte stijl. "Wilfried loeroogde met niemendal ziende kijkers naar de figuurtjes die op de stof van haar chemisier naar alle kanten leken te klawieren. Picassootjes, concludeerde hij totaal in het ongewisse verkerend, kubistische lammeren Gods." Dergelijke maffe observaties, Roobjee grossiert er in.

De angel in de roman zijn de onvervulde verlangens die de weinig fortuinlijke karakters met elkaar delen. Roobjee plooit het verhaal, dat weinig om het lijf heeft, in een stramien van herhalingen waartoe de personages veroordeeld lijken. Die repetitieve doses illustreren de onmacht die de mens in de ogen van de verteller, die zoals in Gogols 'Dode zielen' een ironisch mededogen hanteert, ter plaatse doet trappelen. Hilarisch zijn de overpeinzingen van de stokoude landman, waarmee de auteur zijn reputatie van weelderige causeur volledig waarmaakt. Ook hij komt en gaat in de roman, die onstuimig orerende kroegtijger, alsof hij een handpop is in het filantropische theater van de zwierige cineast Roobjee. Voorbij de archaïsmen en de barstensvolle gedachtengangen, die breed uitwaaieren over eindeloze bijzinnen, ligt een verhaal dat tijdloos is en dus herkenbaar. Dat hij nog vele verzinsels mag opdiepen uit zijn curieuze universum, Pjeroo Roobjee.

Details Fictie
Auteur: Pjeroo Roobjee
Uitgeverij: Querido
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
310