Piet Gerbrandy, 'Vlinderslag'

Het vuur, de verlamming en de vorm

In ‘Vlinderslag’ bedient Piet Gerbrandy (1958) zich van afwisselend reflectieve, bedachtzame, zinnelijke en plechtstatige stemmen —inderdaad, zoals de ondertitel suggereert, ‘een beurtzang’.

De bundel telt acht afdelingen of cycli. De meeste zijn opgebouwd uit prozagedichten op de linkerbladzijden, als doorlopende reeks bespiegelingen, en meer lyrische verzen op de rechterbladzijde. ‘Voegwoorden’ wijkt hiervan af met vijf vrije verzen; ‘Golfslag’ is de vertaling van een laat-antieke dialoog toegeschreven aan Macrobius Ambrosius Theodosius. In de dialoog stelt Claudianus: ‘Het is de taak van de dichter die duisternis aan het licht te brengen, maar dan zo dat ze hanteerbaar blijft. Zonder koele vorm werkt het vuur uit de afgrond verlammend.’ Poëzie is als een sidderrog die weet ‘lam te leggen wie zij aanraakt’. Ook de dichter zelf is ten prooi aan deze werking.

Dan de titel. Vlinderslag is een zwemslag die krachtig is maar veel energie kost. Zowel het bovenstaande beeld van dichters als het beeld dat uit de verteller van de bundel oprijst uit de gedichten, hebben iets weg van de ruwe elegantie van zwemmende lichamen die zich telkens opnieuw uit het water slaan. De verteller observeert, veel ‘hoeft er niet te gebeuren om het gaan op gang te helpen’. Al verschillen de afdelingen duidelijk qua thematiek, telkens is er een rusteloosheid, een onvermogen om, eenmaal wakker geschud, een kabbelend bestaan als genoeg te ervaren. De zwemmer ploegt voort, en al is de voortbeweging moeizaam, ze is noodzakelijk. De verteller neemt de trein, de fiets, wandelt en zwemt, op zoek naar antwoorden en vragen.

De dichter, zo stelt Claudianus, poogt om koele vorm te geven aan de hete vuren van onze onderwerelden. Het is in die koele vorm dat wij als mensen tussen andere mensen oprijzen, maar de aandrijving komt van het vuur, de stroom. En waar de verteller zijn eigen erupties beleeft en in woorden vat, komt hij samen te vallen met de dichter. Zoals dichters ook zelf de sidderingen die ze anderen toebrengen, ondergaan, onderneemt de verteller — wellicht onbewust — een poging om zijn sidderingen dichterlijk onder woorden te brengen.

Opvallend zijn de cursief gedrukte zinnen onderaan elk gedicht (uitgezonderd de pagina’s in ‘Golfslag’). Er zitten weetjes tussen, journalistieke algemeenheden, trivialiteiten, PR-speak — ze steken bij de hortende beschrijvingen van diep doorleefde existentie in elk geval als betekenisloos af. Toch zijn ze telkens wel verbonden aan het specifieke gedicht waaronder ze staan. Zo is ‘een kritische houding bij burgers is bevorderlijk voor de kwaliteit van een democratie’, te vinden onder een prozagedicht rond reflecties over ‘het vinden van de vragen’ en hoe de waarde van een vraag zich verhoudt tot de mogelijkheid van een antwoord. En lees je ‘dat het klimaat verandert, wordt nog door weinigen ontkend’ onder een prozagedicht waarin de personages zwemmen in de openlucht en de verteller beschrijft hoe ze elkaar niet kunnen raken of vervangen of zelfs benoemen: ‘Wat naam heeft is immers onderhevig aan verdwijning’. Zo wordt het existentiële oproer gekaderd, wie weet zelfs gepoogd om het onschadelijk te maken, zoals er in dagdagelijkse omgang inderdaad geen plaats is voor grote vragen en open eindes.

Gerbrandy zet het poëtische voorstellingsvermogen van zijn lezers in gang— anders is er geen begrijpen aan. Pas als je de siddering wilt ondergaan, kan er iets gebeuren, iets gelezen worden, begrepen en wie weet, geschreven. Oftewel, de bundel slaagt.

Foto: Tessa Posthuma de Boer

Details Poëzie
:
Uitgeverij: Atlas Contact
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
95