Piet de Moor, 'Lettergrepen'

Stuifmeel uit Midden-Europa

Levenslang aan het boek, het is een hyperbool die schrijver en publicist Piet de Moor past als gegoten. In de veilige bedding van de literatuur zoekt de zelfverklaarde randmens en burger-bohemien troost en houvast. ‘Lettergrepen’ is zijn kroniek van een decennium lezen, ontmoeten, mijmeren én schrijven. Een koesterboek.

Hoewel het misschien te ver strekt de Moors verzamelde notities een therapeutische gloed aan te wrijven, doen de drijfveren voor zijn schrijfsels, die hij sporadisch en in verrassende gedaantes laat opduiken, vermoeden dat zijn schrijfmotief het louter intellectuele plan overstijgt. Een verwijzing naar Edo Mesch, de zoekende en zwervende protagonist uit Oek de Jongs gelauwerde debuutroman ‘Opwaaiende zomerjurken’, is niet uit de lucht gegrepen. De rusteloze Mesch ondergaat zijn omgeving – de Jong roept een ongeziene sensuele spanning op, en absorbeert gulzig het oeuvre van de Griekse filosofen. Hij speurt naar een systeem dat zijn beminde bewustzijnsniveau van de onbeweeglijkheid benadert, of misschien wel kan vervangen.

De Moor deelt de systemische missie van Mesch: wroeten in een omvangrijk repertoire, om een rustplek te vinden in de dagdagelijkse chaos. Haast letterlijk onderzoekt hij de psychologische dimensie van zijn onderneming, als hij zich afvraagt of hij zichzelf ervan probeert te overtuigen dat hij ‘ooit eens in de plooi zal vallen?’ Het is alsof hij de breekbaarheid én veerkracht van de hem zo nauw aan het hart liggende auteurs wil illustreren, door zijn eigen onzekerheid en gedrevenheid in de strijd te werpen.

In de klassieke canon van de Midden-Europese literatuur graaft de Moor naar overeenkomsten tussen auteurs en hun romans, en botst op paradigma’s. Het lijstje romanciers dat hij raadpleegt is duizelingwekkend. De helden van de Moor luisteren naar ronkende namen: Kertesz, Tolstoj, Márai, Kafka, Nabokov, Kadare. Bevlogen ensceneert hij dialogen tussen die grote literatoren. Niet altijd zijn die literaire kruisbestuivingen even geslaagd. Zijn beknopte anthologie van de kiespijn, die hem bij Boswell, Flaubert en Dostojevski brengt, is best vermakelijk, maar het is vruchteloos zoeken naar een persoonlijke invalshoek, die dergelijke vindsels succulent maakt.

Dat zijn eigen stem af en toe ontbreekt in die opeenvolging van citaten en gelijkenissen is wellicht een te veeleisende terzijde. de Moor is een vorser, geen dagboekschrijver. Terecht werpt hij op dat niet alle geheimen ontsluierd moeten worden. Om die keuze kracht bij te zetten, haalt hij H.C. Andersen erbij, die zijn hart voorstelt als een dagboek waarvan de bladzijden aan elkaar kleven.

Nooit krijgt het idee dat dit boek een willekeurig samenraapsel van literaire wist-je-datjes is voet aan bodem. Elk nieuw stukje deelt een thema of klankkleur met het voorgaande en zo vloeien ze vlekkeloos in elkaar over. de Moor creëerde een polyfone mozaïek van aforismen, micro-recensies en ‘compressies’. Echt interessant zijn de passages waarin hij de persoon van de auteur tracht te benaderen, zoals de ontmoeting met Kertész in Boedapest, onder een loden zon. Met die zeer korte verhalen benadert hij de klasse van A.L. Snijders, de meester van het genre.

Als ‘Lettergrepen’ de aanzet is tot zijn literaire testament, zal de finale versie vele lezers verbluft achterlaten. Om een citaat van Nabokov aan te tikken, dat de Moor opdist om zijn weerzin om over schilderijen te schrijven te verantwoorden: ‘Je veegt het wonderlijke stuifmeel eraf door ze met woorden aan te raken’. Met deze literaire krachttoer van de Moor is het net zo.

Details Non-fictie
auteur: Piet de Moor
Uitgeverij: Van Gennep
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
157