Peter Verhelst, 'Wij totale vlam'

Iets zachts / om tegen je aan / te laten botsen

Er zijn dichtbundels die je wat verweesd, maar rijker achterlaten. Dat doet ook ‘Wij totale vlam’ van Peter Verhelst (°1962). De schrijver, dichter, oud-stadsdichter van Gent,  leverde met deze bundel zijn zoveelste boek gedichten af—een boek om bij je te dragen.

Verhelst schreef een stilistisch en vormelijk behoorlijk gevarieerde bundel. Vrije verzen en prozagedichten wisselen elkaar en alles wat tussenin die vormen ligt, af. Als gedichten de weerslag zijn van iemands begrip van zijn wereld, geeft Verhelst zijn ik-figuur een complexe binnenkant mee. De bundel verhaalt over de verwijdering die geliefden van elkaar kunnen voelen, maar die een mens evengoed voelt ten opzichte van zichzelf. Met een geliefde kun je nooit samenvallen, maar met jezelf is dat ook verre van eenvoudig. De grootste kwelling komt zoals vaak na een moment van groot geluk: het resultaat van verwijdering—de afstand tussen geliefden, of leven als vreemde voor jezelf—krijgt pas zijn tragiek omdat het ooit anders is geweest, omdat het proces van verwijdering zo pijnlijk en pijnlijk zichtbaar is.

Natuurlijk is dat proces niet zichtbaar; Verhelst maakt het zichtbaar. Hij speelt met glazen stolpen en witte bijen, vallende wijnglazen en streepvormige gemspupillen, beelden van reizen, ziekte en genezing, kaarsen van zout en uiteenspattende naaktkatten. De avond is "Wit / oplossend als suiker / in het vallende duister" en het is een "dun, kostbaar hart" dat "vanaf nu voor de kleine, lieve ontploffing/van de herinnering" moet zorgen. Het zijn fantasierijke vergezichten die even eigen aanvoelen als je gedachten.

"Weet je nog?" is het eerste gedicht van vele waarin de dichter zich bedient van over zichzelf heen buitelende zinnen en zinsdelen. Al valt de volledige vaart niet te vangen door minder dan het geheel te citeren, toch klinkt het ongeveer zo:

"Weet je nog toen we op de toppen van onze tenen op de rand/Van een berg leek het wel, die keer dat we jubelend, een seconde,/Niet langer, enkele millimeters over de rand leken we, nooit eerder/Dan tijdens die onsterfelijke, die ene ongelofelijke trilling/ Die er achteraf gezien misschien niet eens, die ene vlam/ Die uit ons opschoot, zeiden we, of die we hadden kunnen zijn, dachten we,/ Buiten adem, die seconde die eeuwig leek, dat dansen, dat juichen,/ En we de seconde erna al, hoe is het mogelijk dachten we"

Vanaf die seconde begint de vlam die uit hen opgeschoten is steeds dichter bij "die andere, die totale vlam" te komen—het leven? de dood? een einde, het begin van betekenisloosheid?

Daarnaast zijn er de gedichten waarin Verhelst in de derde persoon schrijft. De bundelafdelingen "Wij (1)’ en ‘Wij (2)" kun je lezen als prisma’s om de rest van de bundel mee scherp te stellen: de man en de vrouw vinden elkaar terug, maar de kloof gaapt nog altijd en de onzekerheid blijft, of ze elkaar inderdaad terugvinden of dat het te laat is. Dat deze afdelingen zich prima van hun werk als prisma’s kwijten sluit niet uit dat andere gezichtspunten andere gehelen laten zien—in principe is dat zo, maar het geldt bij uitstek voor Verhelsts rijke bundel.

Dit is een boek om bij je te dragen. In de hoop dat het je anders zal vergaan dan de ik-figuur. Of ook in de wetenschap dat bundels als deze de (als ze simplistisch wordt opgevat, nogal kwalijke) reputatie van poëzie als therapie kunnen waarmaken. Maar vooral om Verhelsts fantastische vergezichten te kunnen blijven zien.

Details Poëzie
auteur: Peter Verhelst
undefined: Prometheus
Foto: Ellen De Meulemeester
Jaar:
2014
Aantal pagina's:
68