Peter Verhelst, ‘Zing zing’

Een nieuwe vorm van zingen

Hoe doen ze het, de heren en dames recensenten? Een dichtbundel ligt nog maar pas in de boekhandels of in dagbladen laat een criticus al zijn licht schijnen over het pas gepubliceerde werk. Proefdrukken, natuurlijk. Maar dan nog: is het echt zo dat poëzie op een paar dagen tijd volledig doorgrond kan worden? Kan de kwaliteit van een suggestief, meerlagig werk zo snel worden ingeschat? Of is ook wat poëzie betreft inmiddels een concurrentieslag aan de gang, met snelheid als parameter daar waar in de eerste plaats diepgang op de voorgrond zou moeten staan?

Voor ondergetekende is poëzie lezen in ieder geval een rijpingsproces. Een pelgrimage naar dieper en vollediger aanvoelen, naar begrip van wat er niet staat, net door wat er staat. Goede poëzie communiceert onmiddellijk, maar omvat ook dimensies die zich maar stelselmatig blootgeven. Zit het allemaal in de onmiddellijke ervaring, dan ontbeert de bundel een laag die superieure poëzie meestal wel bezit. De coherentie van de cycli, de overkoepelende thema's, de identiteiten binnen de afzonderlijke gedichten: heeft de lezer geen tijd nodig om meer en meer het netwerk aan associaties en leidmotieven te doorgronden? Wat 'Zing zing' bij de eerste lezingen was, is de bundel vandaag immers niet meer. Of toch: hetzelfde, én meer.

'Nieuwe sterrenbeelden', 'Zoo van het denken', 'Wij totale vlam' en inmiddels ook 'Zing zing': wie dacht dat België sinds Leonard Nolens en Charles Ducal geen grote dichters meer heeft voortgebracht, vergeet dat Peter Verhelst de laatste jaren behalve als romancier, theatermaker en auteur van kinderverhalen ook als dichter actief is geweest. En hoe! De taal zelf verwordt bij Verhelst tot een medium dat voor avontuur geschapen lijkt. Met onder het verbale oppervlak een fundamenteel kwetsbare menselijkheid, een aarde die brutaal door de beestachtige mensheid wordt ontgonnen en een onweerstaanbare sensualiteit.

'Zing zing' verschilt van Verhelsts voornoemde bundels in thematisch opzicht. Meer dan ooit is er de notie van een menselijk mysterie, dat ondanks de pijn, neerslachtigheid en kwaadaardigheid die bij het leven horen, moet worden gevierd. Een paar keer kijkt Verhelst vanop afstand naar de kwetsuren van een zelf dat universele proporties aanneemt. In Verhelsts spinsels kan het immateriële fysiek worden, het immanente plots tastbaar-aanwezig. Het is de ambacht van de metafoor: geen complexiteit als intellectueel spel, maar de verbeelding waar ze voor dient. Met name het aanschouwelijk maken van affect dat in het concrete vocabularium van ons alledaags taalgebruik onaanraakbaar blijft.

Verhelst ‘maakt’ dus als het ware een eigen taal, onderhevig aan eigen regels, gehoorzamend aan een eigen ritme, betekenis genererend op een ondoordringbare eigengereide manier. Ondoordringbaar betekent evenwel niet ondoorgrondelijk. Hoe onwerkelijk ook bepaalde van Verhelsts taferelen, ze resoneren met de werkelijkheid, of meer specifiek: met de realiteit waarin de lezer fictief leeft. De fantasie als gerealiseerd decor! Verhelst creëert dit effect door het fysiek-zintuigelijke in zijn poëzie toe te laten. Niets wat aards en menselijk is, is zijn teksten vreemd. Ons lijf, de biologie van onze driften, de onontkoombare manifestatie van de natuur: ze liggen fundamenteel ten grondslag aan Verhelsts poëzie.

Heeft het zin om cyclus per cyclus te overlopen waar Verhelst op aanstuurt? Niet in een recensie die slechts een essentieel idee met het publiek wil delen, namelijk dat 'Zing zing' een uitzonderlijke impact heeft.

Details Poëzie
Een nieuwe vorm van zingen @prometheusbb
Copyright foto: Chris Ward
Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus
Jaar:
2016
Aantal pagina's:
72