P.C. Hooft, ‘De gedichten’

Hooft aan het hoofd?

Minstens jaarlijks worden poëzie-, essay- en prozaliefhebbers herinnerd aan het bestaan van P.C. Hooft, voluit Pieter Corneliszoon Hooft. Dit telkens omwille van de uitreiking van de gelijknamige prijs: een blijk van waardering voor het oeuvre van een verdienstelijke auteur, verstrekt door de Nederlandse staat. Vrij gewichtige materie dus en dat terwijl Hooft als rederijker geen historisch figuur is wiens geschriften vandaag nog met grote interesse voor het inhoudelijke worden gelezen. Hooft is in de eerste plaats iemand wiens frivole taalgebruik tot de verbeelding blijft spreken: zijn verzen zijn fris en monter gebleven, ondanks de archaïsmen die ze onmiskenbaar tot kinderen van hun tijd maken.

Hoe moet men vandaag deze teksten, allen ongeveer vier eeuwen oud, lezen en hoe moeten ze gepresenteerd worden, vroeg de uitgeverij zich niet zonder terechte bezorgdheid af. Dit broodnodige verzameld werk met duiding – het vorige dateert al van 1899 – moest het definitieve P.C. Hooft-boek op de markt worden. Samenstellers Johan Koppenol en Ton van Strien haalden precies daarom alles uit de kast. Voor zover het aantal pagina’s commentaar iets zegt over de waarde ervan: per gedicht, kort of lang, werd gemiddeld voor een halve tot een volledige pagina uitleg voorzien. Enerzijds betreft het dan een globale situering van de inhoud, anderzijds zijn er woordverklaringen die tot een volledig begrip van Hoofts poëzie moeten bijdragen. De originele schriftuur, waarin Hooft zelf dichtte, kon op die manier worden bewaard: een al te moderne hertaling vereist immers in die mate ingrepen van een arrangeur, dat men zich kan afvragen hoeveel Hooft er eigenlijk nog in doorklinkt.

Deze dichter was meer dan een Petrarca op zoek naar verdieping in bijvoorbeeld de liefdessmart. Geheel ingebed in de traditie van de rederijkers, in wiens naam niet voor niets een echo van retoriek weerklinkt, schreef Hooft teksten waarvan de voordracht een wezenlijk onderdeel van de kunst uitmaakte. Uiteraard is het moeilijk de lezer vandaag een beeld te geven van hoe die middeleeuwse ambacht toen werd beoefend. Het staat echter vast dat ruim negentig van Hoofts gedichten bedoeld waren om gezongen te worden op bestaande melodieën, waarvan er tevens een aantal bekend gebleven zijn. Bij deze complete uitgave komt dan ook niet toevallig een cd getiteld ‘Liederen van Hooft’, waarop teksten te horen zijn in een authentieke muzikale uitvoering.

Niet alleen de kwantiteit is overweldigend: de bewaard gebleven gedichten, aangevuld met afdoend commentaar, een eloquente duiding bij de figuur van Hooft en tevens een aantal bladzijden over de muzikale kadrering. Daarnaast biedt dit boek een zeer aangename letter met enkele verluchtende illustraties. Wie denkt dat uitgeversverbond Athenaeum – Polak & Van Gennep daar een prijskaartje aan vast hangt om steil van achterover te vallen, is nog niet vertrouwd met hun beider principes: kwaliteit kost, maar niet meer dan nodig. ‘De gedichten’ is dan ook het ultieme P.C. Hooft-boek, dat de harten van de liefhebbers zonder twijfel zal verwarmen. Het is natuurlijk waar dat op het internet heel wat van de man te vinden is, alsook in bloemlezingen of oude pockets. Precies de nauwkeurigheid waarmee alles hier wordt samengebracht, maakt deze uitgave echter superieur aan het bestaande materiaal. Een waarschuwing is echter op zijn plaats: Hooft is gedateerd en dat laat zich voelen. Het perfectionisme van deze uitgave ten spijt: wie eigentijdse poëzie wil, zal eraan zijn voor de moeite.

Details Poëzie
Verzorgd en uitgegeven door: Johan Koppenol, Ton van Strien
Muzikale redactie en toelichting: Natascha Veldhorst
Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
869