Paul Auster & J.M. Coetzee, 'Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011.'

Weldadige dialoog

De lijst van auteurs die een brievenwisseling voerden is eindeloos. In het oog springt de correspondentie tussen Kafka en Brod. Paul Auster en John Maxwell Coetzee, ‘doorgewinterde observatoren van de menselijke komedie’, volgden dit illustere voorbeeld en schreven elkaar drie jaar lang brieven. ‘Een manier van vriendschap’, de verzameling van deze brieven, is een boek met een ziel. Het engagement van beide schrijvers toont aan dat hun leven en werk samenvallen.

Beide auteurs, zo blijkt, frequenteren literaire festivals op het Europese vasteland. Gaandeweg is in de marge van deze evenementen een vriendschap gegroeid, waaruit een diep respect voor elkaars oeuvre en ideeëngoed spreekt. Coetzee vatte de moed Auster een briefwisseling voor te stellen, die gretig instemde. De vriendschap triomfeert in de brieven. ‘Ja en ja. Ja op alles wat je hebt toegezegd.’ Het is hen niet te doen om elkaars intelligentie te peilen, wel om met een gedachte aan de andere een nieuwe gedachte te ontlokken en zo het gesprek en in het bijzonder het aangename karakter ervan, levendig te houden.

In de eerste brieven snijden ze het thema van de vriendschap zelf aan, dat hen als gegoten zit. Impliciet tasten ze de contouren af van dit vormelijke experiment met hun vriendschap. ‘Mannen praten meestal niet over wat ze voelen, punt.’ Zoals het goede vrienden betaamt, belijden ze een zekere mildheid. Het is bijna aandoenlijk hoe Auster, als hij leest hoe Coetzee zijn opvatting over rivaliteit in de sport analyseert en deels terzijde schuift, zijn opvatting in een latere brief alsnog probeert te rijmen met Coetzees analyse.

Hun visie op veel thema’s, met ruime aandacht voor de Palestijnse kwestie, internationale politiek en – opmerkelijk – sport, spoort in grote mate. Hun inzichten doen hen refereren aan de grote schrijvers (Beckett, Freud, Nietzsche, Kafka). Wanneer Coetzee Auster over de mondiale financiële crisis, die eind 2008 de kop op stak, schrijft en luidop de vraag stelt of die wel het gevolg was van een reële gebeurtenis, grijpt hij terug naar ‘De republiek’ van Plato. Hij vergelijkt de beursanalisten met de mensen in Platos grot, een metafoor die in het boek haar gelijke niet kent.

Auster hanteert een meer persoonlijke stijl. Van hem lees je hoe een lezing van zijn echtgenote Siri Hustvedt hem roert of wat hem ertoe aanzette als achtjarige een brief te schrijven aan honkballegende Otto Graham. Coetzee laat de anekdote achterwege; hij houdt afstand, maar schrijft wel met een grote betrokkenheid. Hij abstraheert en zoekt naar patronen om wat hij om hem heen ziet gebeuren te vatten en verwoorden. In hun culturele begeestering vinden ze elkaar; enthousiast geven ze uiting aan hun verwondering over literatuur en film. Kun je onbewogen blijven als Auster, overweldigd door ‘enorme hamerslagen van gedachten, een onverbiddelijk, verhalend tempo, een verpulverend gevoel van onvermijdelijkheid’, de loftrompet steekt over de Duitse schrijver Kleist?

Hoewel ze enkele interessante ideeën aandragen of deze minstens aannemelijk maken met zorgvuldig opgebouwde argumenten, ligt de relevantie van het boek vooral in de literaire stijl die beiden steevast beogen. De brieven luchten op. Onder het grijs gaan jonge geesten schuil. Hun verwondering, intact in weerwil van of misschien juist dankzij de enorme belezenheid waar zij blijk van geven, is hartroerend: ‘De wereld blijft maar met verrassingen komen. Wij blijven leren.’

Details Non-fictie
Originele titel:
Here and now
Auteur: Paul Auster, J.M. Coetzee
Vertaling: Ton Heuvelmans, Peter Bergsma
Uitgeverij: Cossee, De Arbeiderspers
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
224