Wim Hofman, Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde

Vertelplezier

Lezen en herlezen van de nieuwste gedichtenbundel van schrijver en beeldend kunstenaar Wim Hofman (1941) brengt ons terug bij het vroegere werk, en het neemt ons tegelijk verder mee. De gedichten in 'Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde' zijn geschreven met eenzelfde vertelplezier zoals jeugdboeken 'Grote Pien en Kleine Pien' of 'Zwart als inkt', beide van het soort jeugdboeken dat ook volwassenen kan bekoren.

Het is niet alleen qua vertelplezier dat Hofmans gedichten in de lijn van zijn oeuvre staan. Het personage Suusje Oliepietz heeft jaren geleden al haar opwachting gemaakt in zijn werk. Ook qua onderwerpkeuze en toon blijft hij zichzelf trouw. Hij spreekt met de verwondering van een kind, blinkt uit in simpele constateringen als 'Als je bij de zaagmolen een sok vult met zaagsel lijkt hij op een afgezaagde voet. Maar dan zonder bloed.' Verwondering wordt geregeld aangevuld met onbegrip voor of onbegrepen zijn in de volwassen wereld. Misschien mede daardoor is de verkenning van zichzelf en omgevende dingen belangrijk. Zeeën, wolken en jassen zijn vaker het richtpunt van zijn aandacht dan menselijke relaties.

De openingscyclus van de bundel, 'Een eiland', lijkt zelfs een zekere opluchting omwille van de menselijke afwezigheid te suggereren. De zes gedichten zijn een uitgebreide beschrijving van de ongerepte fauna en flora van het eiland, het eiland dat volgens de verteller best maar zo kan blijven: 'onbetreden, onbeschreven, / ongeschonden, niet getekend'. Het is minstens opmerkelijk te noemen dat dit gedicht de bundel opent, aangezien het als een schot voor de boeg is voor het eigen kunstenaarschap. Is het zo dat alles wat de mens aanraakt niet verandert in goud zoals bij koning Midas, maar in een hoop schroot? Mag je dan als kunstenaar nog beschrijven en tekenen, betreden en dus schenden?

Hoe het ook zij, Hofman zet zijn overpeinzingen op papier voort, voorzichtig. Hij observeert met een scherp oog. Ook zijn personages kijken meer toe dan dat ze het centrum vormen van het gedicht. Tevens herinnert hij de lezer herhaaldelijk aan de aanwezigheid van de verteller. Verzen als 'Hier volgt een lijstje:' en 'dat / waren we vergeten te vertellen' maken volwaardig deel uit van de gedichten. Deze tussenwerpsels bevestigen Hofman als geboren verteller die uit zijn gedichten oprijst als een bedaarde, associatieve verhalenverteller voor de hem omringende luisteraars.

Het is opvallend hoeveel verschillende vormen de dichter hanteert. Hij schrijft zowel gedichten met lange als met korte regels, soms met interpunctie, soms zonder, en ook prozagedichten ontbreken niet. In andere bundels is dat mogelijk storend, maar in deze bundel is het bewust en prettig gebruikt. De openingscyclus waar we al over schreven, is een geheel dat beheerst wordt verteld, en dienovereenkomstig in versregels voorzien van interpunctie en van ongeveer dezelfde lengte neergeschreven. In gedichten als 'Huiszoeking' ontbreken de punten en regelafbrekingen. Het beschrijft haast filmisch hoe de ik-figuur een detaillistische en vernederende huiszoeking doorstaat. Doordat de zinnen blijven doorlopen, wordt ook de lezer opgejaagd. Hofman weet vorm en inhoud goed op elkaar af te stemmen.

Dat betekent niet dat er geen kritische kanttekeningen te maken zijn. We vragen ons af waarom gedicht 16 van de cyclus over Suusje Oliepietz ontbreekt: van gedicht 15 gaan we naar gedicht 17. We wisten ons soms geen raad met al te verhalende, vrij irrelevante stukken: zijn dit nog gedichten te noemen? Dichter-schrijver Eva Cox ondervangt opmerkingen als deze terecht en met gemak door haar schrijfsels niet louter als gedichten te laten kooien. Hofman (of Hofmans uitgever) doet dit wel en vraagt hiermee, afhankelijk van de poëzieopvatting van de lezer, om opgetrokken wenkbrauwen. Ten slotte hadden gedichten als 'Dingen die ik dacht' van ons uit de bundel mogen blijven. Er zitten mooie beelden in, maar ze zijn te weinig uitgewerkt en worden naar ons idee te willekeurig door elkaar opgevolgd om met recht tussen de pareltjes in het boek te staan.

Want uiteindelijk zijn het die pareltjes, die echt niet als spijkers op laag water gezocht moeten worden, die de bundel het lezen waard maken.

Details Poëzie
Auteur: Wim Hofman
Uitgever: Querido
Jaar:
2009
Aantal pagina's:
91