Tonnus Oosterhoff, Op ware grootte

Het leven zoals het is

We hebben allemaal wel eens een ingedommelde zondag doorgebracht bij de grootouders, bij een televisie die te luid staat, waarvan de kleuren te donker zijn of te groen, met verhalen over de jonge mensen van de oude tijd. Wie 'Op ware grootte' (2008) van Tonnus Oosterhoff ter hand neemt, maakt net zo een trip down memory lane, maar met wat meer vaart of - zoals mijn grootmoeder zou zeggen - schwung.

In deze bundel maakt Oosterhoff de balans op van een leven. De losjes aan elkaar hangende gedichten deinen met treffende, komische beelden van de ervaring van een tiener naar die van een bejaarde. De wereld van een puber in de jaren zestig geeft hij vorm door stencilmachines en oude Simca’s voor de geest te roepen in ‘een ander Europa’, een wereld met de kleur nog van een ‘geelbenen klimrek’ of ‘het koningsblauw interieur van de schoenendoos / waarmee ik langs de winkels ging’. Aan nostalgie geen gebrek, maar, boys will be boys, poëzie staat prozaïsche daden niet in de weg: ‘Dit is maar fantasie, spuitgasten. Het is maar / met de beek spelen / tot de visjes er hoofdpijn van krijgen.'

Geleidelijk evolueert het kind naar een vader op middelbare leeftijd en ook deze overgang gebeurt met een knipoog. ‘Zesenvijftig. / Iemand merkt bij het ontwaken / dat hij zich niet bewegen kan, roept poes, bel 112, / hoort niet dat gewauwel uit zijn bek komt. / Poes snapt het, (snapt het, snapt het. / En die poes die snapte het!)’ Maar Oosterhoff bewaart het evenwicht tussen deze komische noot en soms ronduit ontroerende passages, die hij door kleine variaties in punctuatie, bewoording en regelindeling kracht bijzet: ‘Ploeteren, falen. Thuiskomen met een houweel in je voor- / hoofd. // Ploeteren. Falen. Thuiskomen met een staaf dynamiet in je / voorhoofd. / Papa! Zoals je naar me kijkt is het net twee zonnen, / de zon van gisteren de zon van morgen.’

Ook wanneer lichamelijk verval en dood overheersen, treft Oosterhoff de juiste toon. Naast niet mis te verstane regels zoals ‘Van een paard dat gras eet veranderd / in een paard dat hooi likt’ creëert Oosterhoff subtiel maar meesterlijk een sfeer die gevat wordt in goed gekozen beelden. Dat doet hij bijvoorbeeld met de ‘kersenpit’ in ‘Het ei in de magnetron / (tikt op de kersenpit) even fout ingesteld… pang… (max pam….)’, of aan de hand van het vertellende ritme en de typografie van een interview: ‘Weet u nog van uw eerste ontmoeting? Herinnert u zich die? // Weet ik de eerste ontmoeting nog! Weet ik de eerste ontmoe- /ting nog! Of ik me die herinner. Er gaat geen dag voorbij of ik / denk eraan. (…)’

Oosterhoffs vindingrijkheid met taal en typografie is symptomatisch voor de obsessie met weergave die deze bundel domineert. Hoe kan een herinnering de werkelijkheid terugbrengen? Hoe kan één boekje taal een hele wereld schrijven? Hoe krijg je het leven, met andere woorden, op ware grootte? In de hele bundel breekt Oosterhoff zich merkbaar het hoofd over dit vraagstuk.

Inhoudelijk keert de frustratie terug in regels zoals ‘Druk ik de pen op papier, dan wijkt de geest’, of in commentaar op het schrijven zelf: ‘De lente is mijn seizoen, haast schreef ik meizoen.’ Vormelijk komt deze zorg tot uiting in Oosterhoffs grote creativiteit met taal. Naast alliteraties (‘krom kwijlend dwergje’ is zo een mooie) gebruikt hij ook verschillende talen en typografische onregelmatigheden. Bovendien wisselt hij vlot van gedichten op rijm naar een stijl die meer weg heeft van proza dan poëzie.

Het opvallendst zijn de regels waarin hij zijn taalgevoel laat vieren in de idiosyncratische associaties die Oosterhoffs poëzie wel vaker bezielen. Deze stukjes poëzie moet je niet willen begrijpen, maar voelen, erin meegroeien als het ware, tot je ze op ware grootte ervaart: ‘Gaatjes houden het gazon tochtig gaslucht / gazen naar kierende tunnels van mollen die brengen / ramm’lende wagons naar onderaardse rivieren’. Door de kwistigheid waarmee de dichter deze speelse passages invoert, krijgt het procédé jammer genoeg soms wat maniëristisch - einde gedicht, enter klankspel: ‘blije hein komt bij het konijn schreien en bij de koning met een knoopsgat schoons’. Daardoor verliest het geheel soms aan spontaniteit en blijft het niet boeien, bij momenten is het zelfs niet meer begrijpelijk.

Dit minpuntje doet echter niets af aan het feit dat Oosterhoff, door de inventieve manier waarop hij omspringt met elk aspect dat bij poëzie komt kijken, treffend gestalte geeft aan de wisselende buien van een groeiende mens. Wie teruggedacht heeft bij het zien van ‘de puzzel van het schaap’, denkt zeker ook vooruit bij het lezen van ‘Dit is geen reis, het zijn reizigers / die in alle richtingen de bestemming verlaten.’ En staat even stil.

Details Poëzie
Auteur: Tonnus Oosterhoff
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
64