Gerrit Komrij, De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten

Kroniek van een kindertijd

Onlangs werd het mooiste kinderboek aller tijden gekozen. ‘Fantasia' van Geronimo Stilton won, maar daar was niet iedereen onverdeeld gelukkig mee. Over smaak en kleur valt immers niet te twisten en er zijn zoveel ‘mooiste' kinderboeken dat eensgezindheid een illusie is. Kiezen is verliezen, ook bij nobele initiatieven zoals ‘De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten' door dichter en bloemlezer Gerrit Komrij (1944). ‘Dé' Nederlandse kinderpoëzie bundelen is al een onmogelijke taak op zich, laat staan als je wilt putten uit vijf eeuwen kinderliteratuur. De bundel bevat bovendien niet enkel de canon, maar ook ‘lage' kinderpoëzie, zoals straatliteratuur en gedichten geschreven door kinderen. Een hopeloos streven, want je vergeet altijd wel iets, wat leidt tot een onvermijdelijk gebrek. Maar het is wél een nobel streven, want het resultaat is vurrukkelluk.

Komrij beoogt met zijn nieuwste bloemlezing ‘een volwaardig deel te zijn in de reeks bloemlezingen uit de Nederlandse poëzie die ik eerder verzorgde. Geen supplement.' Literatuur voor kinderen heeft immers lang in de periferie van de letteren gezeten, maar gelukkig is het daar de laatste decennia uitgeraakt. Kinder- en jeugdliteratuur kan op meer erkenning rekenen, ook door initiatieven als de Jeugdboekenweek. Een problematische vraag blijft hoe je kinderpoëzie demarceert: wat is precies een kindergedicht? ‘Er gaapt een wereld van verschil tussen gedichten voor vierjarigen en gedichten voor twaalfjarigen. [...] Dat het allemaal in één boek staat kan alleen maar betekenen dat het begrip kinderpoëzie onzin is. Dit is een boek voor alle poëzielezers.' Behalve dat de bundel interessant is voor jong en oud, is het ook een boeiend tijdsdocument. De kinderpoëzie was eens braaf, belerend en opvoedkundig, maar nu kunnen veel meer thema's aangesneden worden. ‘Eeuwige' thema's, zoals liefde en dood, blijven natuurlijk, net als het belang van ritme en rijm.

De verzameling werd chronologisch opgebouwd, beginnend met ‘Het waren twee koningskinderen' uit de middeleeuwen en afsluitend met een modern versje uit de éénentwintigste eeuw. Daartussen ligt een bijzonder uitgestrekt gebied. Anonieme en minder bekende schrijvers krijgen een plekje tussen onder meer Joost van den Vondel, Guido Gezelle, Virginie Hoveling, Lucebert, Hans Andreus en Paul van Ostaijen. Natuurlijk kon ‘De pruimeboom' van Hiëronijmus van Alphen niet ontbreken, net zoals Annie M.G. Schmidt. Let wel, niét de allerbekendste gedichten van Schmidt staan erin: geen spin Sebastiaan bijvoorbeeld, maar wel ‘Het zoetste kind' en ‘Tante Trui en tante Toosje'. De reis door de kindertijd is uitgebreid, want ook ‘Hallo meneer de uil' van Leen Valkenier en ‘Fragment uit ‘De geboorte van Nijntje'' van Dick Bruna werden opgenomen.

Een boel hedendaagse schrijvers staan erin vereeuwigd, zoals Nannie Kuiper, Johanna Kruit, Ed Franck, Joke van Leeuwen, Marc de Bel, Peter Holvoet-Hanssen en Bart Moeyaert. Gerrit Komrij mocht zelf ook niet ontbreken met de ‘Kinderballade'. De bundel wordt verder aangevuld met telkens vier delen ‘Kinderen dichten zelf' en ‘Bakerrijmen en kinderliedjes, speelrijmen en aftelversjes', waaronder een beetje flauwe, zoals ‘Eigen schuld / dikke bult' en ‘Weet je wat de mode is? Dansen in de paardepis'. Ook ‘Poësie' albumversjes staan in de bloemlezing.

De bundel is een mooi tijdsdocument, met onder meer ‘Het A.B.C. der plichten' van Gerrit Paape en Maria van Schie: ‘A. / Al wat kwaad is moet gij mijden, / B. / Bidden moet gij te aller tijden. / C. / Cier u met geen ijdel kleed. / D. / Doe uw naasten nooit geen leed. [...]' Het gedicht staat in schril contrast met moderne gedichten, zoals ‘Bejaardendag' van Hans Hagen: ‘het is bejaardendag / de trein puilt uit, is vol / want als je gratis reizen mag / dan reis je voor de lol [...]' en de grove en rauwe kinderpoëzie van Herman Brusselmans: '24 december: / Mama is aan de drank / Papa is aan de drugs / De kinderen krijgen slaag / De hond is dood [...]'. (‘Een wonder') Een van de hilarische gedichtjes is ‘Iedereen' van Tom Gladdines: ‘Dat elke broek / een onderbroek verbergt / met daarin nog veel meer / dan blote billen, om te schrikken / vind ik dat. Om te gillen.'

Op de cover staat een wat zoete prent van Hanna Mattes, maar de bundel bevat gelukkig niet enkel vrome, kuise en moraliserende gedichten. Een uitgebreid arsenaal werd opgenomen, maar liefst 951 bladzijden lang. De bundel doornemen is alsof je de smaak van een snoepje dat je als achtjarige at weer helemaal terug in de mond hebt. Dagen, maanden, jaren houdt het je zoet. En het smaakt altijd naar meer.

Details Poëzie
Auteur: Gerrit Komrij
Copyright afbeeldingen: Prometheus
Uitgever: Prometheus
Jaar:
2007
Aantal pagina's:
1040