Mischa Andriessen, 'Huisverraad'

Thuis is waar de kapstok staat

Voor zijn debuut ‘Uitzien met D’ ontving Mischa Andriessen de C. Buddingh’-prijs. De jury voegde aan de bekroning een resem mooie woorden toe, en noemde Andriessen bijvoorbeeld ‘de meester van het ongezegde’. Verder werd er geschreven dat de dichter de lezer bij de haren wist mee te sleuren, liet lachen en tot nadenken stemde, en dat allemaal tegelijk. De verwachtingen voor ‘Huisverraad’, Andriessens nieuwe bundel, zouden voor minden hooggespannen zijn. Meteen blijkt echter dat de auteur hier een ander register bespeelt, maar nog altijd de zaken niet graag bij naam noemt. Gevolg is dat ‘Huisverraad’ een aantal tot de verbeelding sprekende gedichten bevat, maar ook poëzie waarbij de lezer het zelfs na meerdere pogingen gewoonweg niet voelt.

Dat een talent voor taal door Andriessens aderen stroomt, zal geen verrassing heten voor wie zijn voorgeschiedenis er op na slaat. De man is de veertig al voorbij, en liet zich opmerken als jazzcriticus voor diverse media. Nog steeds combineert hij die bezigheid met schrijven over beeldende kunst, het verzorgen van vertalingen en naar verluidt zal de roman ‘Rasphuis’ niet lang meer op zich laten wachten. Tussen al die bezigheden door vindt Andriessen ook nog de tijd om gedichten in overkoepelende cycli te schrijven, zoals ook ‘Huisverraad’ er drie bevat.

In de laatste reeks, getiteld ‘J’, is dood en vertrek een centraal thema. Andriessen laat na om in concrete feiten te spreken, maar een verwijzing naar Olivier Messiaen (die een tijd in een kamp heeft moeten doorbrengen) of de plaats Abda in Hongarije waarnaar een gedicht werd vernoemd, zijn aanwijzingen dat historische gruweldaden uit de vorige eeuw hier als aanleiding hebben gediend. Gedichten als ‘Daad’, ‘Doorgang’ en ‘Wallenberg’ baden overigens in eenzelfde morbide atmosfeer, terwijl Andriessen elders meer op zoek gaat naar lichamelijke integriteit en zijn teksten daarbij met melancholische humor lardeert.

Ook ‘Cavalerie’, de middelste serie, is donker getint, hoewel een zweem van kameraadschappelijkheid hier doorheen het lugubere heen priemt. De meer prozaïsche gedichten, waarin Andriessen de werkelijkheid minder dan anders lijkt toe te dekken of af te schermen, zijn diegene die het minst goed werken. Ook in de dialoogvormen is de magie soms zoek.

‘Huisverraad’, waarmee de bundel opent, heeft in vergelijking een meer betoverende uitwerking. Andriessen zoekt het qua stijl niet altijd ver en speelt met literaire patronen. Herhaling en het gebruik van een ‘je’ die niet naar de lezer verwijst, lijken van Andriessen een dichter uit het dozijn te maken, maar dat is buiten het ondoorgrondelijke timbre van zijn stem gerekend. Hierin neemt de dichter tevens de gelegenheid te baat om vagelijk over een groter maatschappelijk kader te schrijven, een dat hij afwisselt met meer persoonlijke, maar eveneens beschouwelijke gedichten.

In zijn totaliteit is ‘Huisverraad’ kortom in evenwicht: grote verhalen leiden naar poëzie over de mens in al zijn breekbaarheid, om er vervolgens opnieuw van te vervreemden, via taal. Slechts in enkele, voornamelijk kortere gedichten weet Andriessen de lezer meteen volledig te capteren, terwijl Andriessen ook met een handvol woorden soms niet tot een essentie komt. Het is voor de lezer dus kwalitatief schipperen tussen (minder) goed en beter, hoewel de meerderheid van de gedichten in de bundel zeker hun plaats verdienen.

Details Poëzie
Thuis is waar de kapstok staat
Foto: Keke Keukelaar
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
64