Max Temmerman, 'Bijna een Amerika'

Dactylisch in lijf en leden

Max Temmerman (1975) presenteerde met ‘Bijna een Amerika’ zijn tweede gedichtenbundel. Sleepte hij voor zijn debuut al een nominatie voor de C. Buddingh’ Prijs 2012 in de wacht, nu staat hij op de shortlist voor de Herman De Coninckprijs 2014.

Temmerman opent sterk met ‘Horror - een sprookje’. Een moeder ligt op sterven, ‘je’ stapt in de wagen en rijdt erheen. De zinnen worden steeds korter en stiller: "Het beste / loop je / op de tast". In het laatste gedicht, ‘Vage grond’, komt dit openingsgedicht welhaast terug. Niet letterlijk, maar zoals in het eerste gedicht maant de verteller aan om in de auto te stappen. Er volgt echter geen lange tocht voorbij het gekende, op weg naar een stervende moeder in een imploderende wereld. Het viaduct dat ‘je’ eerst nog moest passeren is nu de plaats om te stoppen, om uit te kijken over ‘verhaallijnen en wisselsporen’.

Zo is de bundel rond, heeft rond de aansporingen van de verteller de bundel vorm aangenomen. De nood aan houvast komt terug in allerlei soorten imperatieven: wij moeten x ("als wij geen vat krijgen op de rondtollende / gang van deze traagzame dagen, // dan moeten we weten dat alles / nog moet beginnen"), ik mag niet y ("Ik mag niet vergeten hoe we ’s nachts herten zagen"), je moet z ("Volg deze fasen en je kunt alles aan"). En inderdaad, wat hulp om te navigeren is welkom: "Wie heeft, wil hebben. Wie is, wil zijn. / Er moeten dringend hoofdstukken geschreven / voor een boek dat als handleiding kan dienen." Temmerman biedt een stafkaart van verlies en een leven dat verder gaat zonder.

Her en der zijn sommige rijmen wat storend. Zo is er "Ons leven samen zal zuiverder zijn dan een formule. / Onze dagen gaan van goud zijn en zullen blijven duren". En ook "Wat de gasten zegden, sloeg in als scherven" is afleidend. Maar als je je de dichter voorstelt als iemand die voorleest, verhaalt, is zo’n cadans op zijn tijd geen probleem. De eerste regels van zijn gedicht ‘Verhalend’ zijn met gemak als programmatisch te begrijpen: "Liever dan van een natuurwet had ik het DNA / van een mythe … Ik geef mijn hoofd voor de herintrede van de hemel. / Praten met beesten en het interpreteren van fenomenen". De dichter als tijdloze verteller.

Dan zijn er ook zinsdelen die wat omslachtig of moeilijk begrijpelijk zijn, zoals "Wij zijn de gestolde tijd in ons." Dit klinkt goed, maar wat betekent die onhandige constructie? En wat met "van vertrouwen diep overlopen"? "Diep" kan hier geen dubbelverbonden bepaling zijn: vertrouwen kun je zeker "diep" noemen. Maar "diep overlopen" klinkt, zeker bij tweede lezing, eerder hoekig dan poëtisch. Hier en daar had er nog gesnoeid en geschaafd kunnen worden, om het moois beter uit te doen komen.

Want hiertegenover zet de dichter een batterij aan prachtige zinnen. Zo schrijft hij: "Het liefst zou hij altijd zwijgen / maar sprak hij, dan met bewegingen / ruim bemeten. // Mijn vader was dactylisch in lijf en leden." En de allerlaatste zin van de bundel is ook al zo’n knaller: "Deze plek blijft duren als een besluit."

En ‘Bijna een Amerika’ bevat een paar instant klassiekers, even treffend voor doorgewinterde poëzielezers als voor de gelegenheidsfan. Daarom tot slot ‘Een mond vol’:

"Deelneming komt in meervoud / en is altijd innig of oprecht. // Op papier zijn woorden moeilijk te vinden. // Luidop weten we / nooit goed wat gezegd. // We zijn allemaal gelijk. / Eender in elkaars aangezicht. // Om de beurt staat ieder / van ons met een mond / vol aangewaaid plastic."

Details Poëzie
Auteur: Max Temmerman
Uitgeverij: Vrijdag
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
57