Matthijs de Ridder, 'De eeuw van Charlie Chaplin'

Ik ben Charlie, jij bent Charlie, wij zijn Charlie

'Het publiek gebruikte ons als excuus om zich krankzinnig te gedragen.'

Aan het woord is George Harrison, die in de reeks 'The Beatles anthology' de hysterie probeert te duiden die hen te beurt viel midden de jaren zestig.

The Beatles en Charlie Chaplin vormen ijkpunten binnen hun respectievelijke genres. Nog steeds wordt er gekeken naar films als 'The kid', 'City lights' of 'Modern times'. Nog steeds ontdekken tieners lp's als 'Rubber soul' of 'Revolver'.

In tegenstelling tot bij de Fab Four manifesteerde de krankzinnigheid zich bij Chaplin niet in de vorm van gillende meiden, maar nam ze de gedaante aan van minder onschuldige politieke krachten. Terwijl je 'De eeuw van Charlie Chaplin' leest, lijkt het alsof de films van Chaplin dienst doen als een symbolische spiegel voor een periode waarin de mens in korte periode twee wereldoorlogen te verwerken kreeg. Ze waren de groeipijnen van een steeds versnellende wereld en waarin nogal wat mensen - net zoals Chaplins personage 'the tramp' - gedwongen werden hun lot passief te ondergaan. Net dat universele karakter van zijn films zorgde ervoor dat de acteur en regisseur vaak in het oog van een politieke storm terechtkwam.

Aangezien dit geen biografie betreft in de letterlijke zin van het woord, neemt de Ridder de tijd om de publieke perceptie van het fenomeen Chaplin te duiden. Daarbij tekenen zich intrigerende tendensen af. Waar hij tijdens W.O. I de grote publieksfavoriet was van de geallieerde troepen in de loopgraven, wordt Chaplin daarna gerecupereerd door de Dada-beweging om uiteindelijk te vervellen tot 'klassieke' kunstenaar onder invloed van filmcriticus Louis Delluc.

Iemand die kan terugvallen op een geïnteresseerd publiek van miljoenen mensen, is potentieel interessant voor politieke doeleinden. Ondanks het feit dat Chaplin (als Engelse staatsburger) tijdens W.O. I zijn schouders zette onder een Amerikaanse promotiecampagne om oorlogsobligaties aan te schaffen, bleven er twijfels rijzen over waar nu exact zijn politieke voorkeuren te vinden waren.

De zestien maanden durende reis die Chaplin ondernam tussen 1931 en 1932 wordt door de Ridder uitvoerig behandeld. Naar ons gevoel is het een tekenend voorbeeld hoe Chaplin dienst deed als een soort politieke katalysator en - misschien belangrijker - hoe hij daar bewust mee omsprong. In een Duitsland dat hard getroffen werd door de economische crisis - en waar de NSDAP zich steeds nadrukkelijker manifesteert - ontmoet hij Albert Einstein en wisselt met de natuurkundige ideeën uit over een alternatieve en beter functionerende economie. Je krijgt de indruk dat je leest over een man die - in tegenstelling tot zijn passieve personages - iets wil bijdragen aan het wereldgebeuren. 

'De eeuw van Charlie Chaplin' is niet louter een boek voor filmliefhebbers, maar biedt een interessante blik op het spanningsveld tussen cultuur, journalistiek en politiek. Na eerder werk over jazzmuziek ('Rebelse ritmes') en literatuur ('Behoud de begeerte: een literaire geschiedenis 1984-2004') toont de Ridder zich hier bedreven in het prikkelend exploreren van een fenomeen dat generaties overstijgt.

Details Non-fictie
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2017
Aantal pagina's:
592