Marja Vuijsje, 'Ons kamp. Een min of meer Joodse geschiedenis'

Duizelingwekkende familiekroniek

In het literair-journalistieke Nederland is de familie Vuijsje prominent aanwezig. Om op slechts twee exponenten te wijzen: Robert Vuijsje ging in 2009 aan de haal met de Gouden Uil, Hagar Peeters - dochter van Herman Vuijsje, zelf een schrijver - bereikt met haar poëzie een aanzienlijk publiek. Dat constateerde ook Yoni, het Israëlische neefje van Marja Vuijsje. Zijn ongeloof over de steile sociale opgang van de Vuijsjes, voor de jaren twintig nog verpauperde Joden, inspireerde Marja Vuijsje, journaliste en auteur van het goed onthaalde 'Joke Smit, biografie van een feministe', om haar opmerkelijke familiegeschiedenis te ontrafelen.

Het gezin Vuijsje - Marja Vuijsjes grootouders, haar vader, zijn zus en vier broers - liet in 1920 de armoede van het Amsterdamse getto achter zich en verhuisde eerst naar de Transvaalbuurt, en later naar de goedlopende bakkerij in de Weesperstraat, "met als sluitstuk de onderduik en de deportaties naar Polen". Vuijsje vat in enkele regels samen wat in de familie het oerverhaal wordt genoemd. Bewogen door de levenslange missie van haar inmiddels overleden vader, die bleef vertellen over zijn verblijf in het kamp van Auschwitz, herneemt zij die wrange episode. Ze wil de herinnering eraan vereeuwigen als een onmisbaar deel van dat oerverhaal.

Ingetogen brengt Vuijsje hulde aan haar vader. Ze loopt in een weidse boog om het genre van de hagiografie heen, de beeltenis die ze van haar vader optrekt is sober. Ze ontvouwt zijn verhaal en past het naadloos in de ruimere maatschappelijke omwentelingen die de Joodse identiteit van de Vuijsjes modelleerden. In de jaren dertig is dat vooral de wervende kracht van de sociaaldemocratische zuil, na de oorlog de opkomst van het zionisme, als antwoord op de shoa. Met open vizier belicht ze de doorwerking van de Holocaust op de naoorlogse Joodse generaties.

Net als de shoa, is de oprichting van Israël essentieel in de identiteitsbeleving van de Vuijsjes. Naast de ironie over het zionisme (alle grote Joods-Nederlandse predikers bleven gewoon in Nederland), was er ook trots voor de moderne staat die oprees uit de onderontwikkelde woestenij. De auteur laat zien hoe het Joodse leed ongegeneerd werd afgegrazen door Likoed, als politiek instrument om nationalistische gevoelens aan te wakkeren. Een keerpunt, nadat de shoa decennialang werd afgedaan "als een gespreksonderwerp voor oude Europese overlevenden die te weinig ausdauer hadden om die gênante geschiedenis achter zich te laten".

Dat Vuijsje in staat was dit genuanceerde relaas te vertellen, valt ruimschoots – enige verplaatsing is hier aan de orde – te reduceren tot de emancipatorische strijd die in de jaren dertig een steile vlucht nam. ‘Ons kamp’ op zich bevestigt het belang van die emancipatie als katalysator van de intellectuele hoogconjunctuur die Europa vandaag karakteriseert. Vuijsje illustreert met vele getuigenissen de individualiteit van hun naoorlogse verwerkingsproces. Een sjabloon voor het trauma van de shoa is er evenwel niet.

Wetenschappelijk is het relaas niet, erkent Vuijsje, al toetste ze haar kroniek wel af bij experten. Op sociologisch vlak is 'Ons kamp' relevant, omdat de ontvoogding van de onderklasse in de bredere Europese context een blijvende invloed uitoefende op de nakomende generaties. Met een toon die feilloos balanceert tussen analyse en emotie, tussen empathie en kritiek, reconstrueert Vuijsje grandioos de min of meer Joodse geschiedenis van haar familie.

 

Details Non-fictie
Auteur: Marja Vuijsje
Uitgeverij: Atlas Contact
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
332