Marije Langelaar, De schuur in

Roetsjend de kist in

In het voortreffelijke doctoraat ‘Boom, roos, vis. Natuurpersonificaties als leesmethode voor de poëzie van Guido Gezelle’ haalt Dietlinde Willockx de literatuurwetenschapper Paul De Man aan. Hij zou ooit het geven van een gezicht en een stem aan wat onzichtbaar of abstract is 'de belangrijkste stijlfiguur van het poëtische discours' genoemd hebben. Een gedicht kan inderdaad wie of wat niet tot spreken kan of mag komen, aan het woord laten. Willockx toont zelf hoe Guido Gezelle in 'Ego flos' de bloem tot de zon laat spreken: 'Ik ben een blomme / en bloeie vóór uwe oogen'.

Aan dat citaat van De Man moesten we denken bij de eerste cyclus van 'De schuur in', de tweede bundel van dichter en kunstenaar Marije Langelaar. Achtereenvolgens krijgen een vruchtpit, een stad, een worm, grassprietjes, een pier of een steen het woord. Het gras komt bijvoorbeeld als volgt uit de grond: 'zetten ons schrap, naaktgeboren, richten / onze handen naar boven / afzetten nu schieten de lucht in / in een keer blind van het licht / tasten de wind in en wachten'. De pit komt in een vogelmaag terecht om uiteindelijk 'het dak op gekwakt' te worden, de worm 'liep een appel binnen' en de pier helpt een vis te vangen.

Verder in de eerste cyclus van de bundel neemt de mens de hoofdrol over, maar dergelijke personificaties blijven aanwezig. De mens krijgt daarbij te maken met grotere krachten, zoals in 'Het meisje': 'Eerst grist de herfst de kleuren uit haar gezicht dan trekken de / organen wit weg.' De natuurkrachten, zowel uitwendig (de herfst) als inwendig (de organen), maken het meisje doodziek.

De actieve verwoording geeft de gedichten een vitalistisch en soms surrealistisch karakter, zelfs als de dood nabij is. In het slotgedicht van de eerste cyclus komen alle lijnen samen. De mensen begluren hoe een heg groeit en moedigen deze ook aan: 'Levenslustig schudt de heg zijn bladeren / wij juichen', om te eindigen met: 'wij juichen zo hard als wij kunnen / om deze groeipartij // en lachend meten we onze haren, de nagels – / Alles gegroeid'. Door de blik te richten op nagels en haren kijken we naar datgene van de mens wat blijft groeien, ook na de dood.

In de tweede helft van de bundel (cyclus 2 en 3) spelen respectievelijk dé vrouw en dé man de hoofdrol, vertrekkend van de resultaten die vrouw en man in een zoekopdracht (in de kranten 'NRC' en 'AD') opleveren. Het is alsof Langelaar hier het woord schenkt aan de clichés, wat een perverse (in de zin van: grensverleggende) blik op die clichés oplevert. De vrouw, in plaats van de clichés te ondergaan, beleeft ze actief. In de verzen 'ik reanimeerde hard als een / wilde verpleegster / raakte in de war met stengels en knopen' komen zorgzaamheid én een mannelijke seksuele fantasie samen. Wanneer een vrouw een kind baart, is het eentje 'met de kop van een veulen / het [...] knikt en de hoefjes trappelen hard'. Een paashoer verstopt eitjes onder de rokken en laat daarna de mannetjes weer binnen. Of wanneer ze aan het fornuis staat, heet het gedicht 'Dirigent' en brengt ze een 'Machtig orkest van aardse dingen. Aardappels. Wortels. / Pannen. Vuur! In een zweepslag verliezen / de knollen hun schil, schieten de lucht in, glijden / door keel.'

Als de mannen koken, gaat het er plots heel anders aan toe: 'Wij doden de vissen / dompelen kippen in / het snoertkokende water // draaien aan armen / likken zout van de lippen / gooien pitten in vuur'. Niet alleen komt het geweld in de slotcyclus explicieter op de voorgrond dan eerder in de bundel, door zich te verbergen achter een 'wij' kan het geweld zich ook rechtvaardigen. Alsof het zegt: wij mannen zijn zo. Het slotgedicht belooft geen uitweg: 'hetzelfde gezin / weer aan het koken / of ze slaan zich tegen elkaar zoals een klok in een toren'. De slotwoorden zijn: 'Grimmig hier.'

Een overwicht van de grimmigheid maakt het slot van de bundel iets minder, maar dat is dan vooral in het licht van de rijk geschakeerde gedichten die de rest van de bundel biedt en die we hier onvoldoende recht hebben kunnen doen. De combinatie van enerzijds speelse verwondering, anderzijds vitalisme waar passie en dood van afspatten, maken van 'De schuur in' een broeierige leeservaring. Of zoals het in het openingsgedicht staat: 'wij bleven de ganse dag glijden en niets / hield ons / gleden glad tussen de lakens en / roetsjend de kist in'.

Details Poëzie
Auteur: Marije Langelaar
Copyright afbeeldingen: Arbeiderspers
Uitgever: Arbeiderspers
Jaar:
2009
Aantal pagina's:
72