Marie Kessels, Ruw

Aan de arm van Gemma

In 'Ruw' van Marie Kessels doet Gemma haar verhaal. Ze is door een banaal verkeersongeluk blind geworden: 'De deur van een op de stoep geparkeerde vrachtwagen met in koeienletters DOLLEVOET erop werd in mijn gezicht geslagen [...]. Botsplinters van mijn voorhoofdsbeen hebben aan allebei de kanten de oogzenuw doorgesneden, niets meer aan te doen.' Vier maanden na het ongeluk begint ze haar wederwaardigheden neer te schrijven en dat acht maanden lang. Zo krijgen we inzicht in haar eerste jaar als blinde.

Nuchter en gelaten gaat Gemma de uitdagingen van haar nieuwe leven aan. Ze was gewend aan een kunstzinnig en verfijnd leven, maar moet nu terug 'ruw' denken. Ze leert haar wijk te bewandelen tijdens nachtelijke uitstapjes, wanneer er minder prikkels en gevaren zijn. Ze ontdekt waar fietsen het vaakst gestald staan en waar takken overhangen. Ze leert ook braille lezen. In het begin is het gokken waar een woord eindigt, later gaat het een beetje vlotter, maar vindt ze ook meerwaarde in het trage lezen. Ze leert nog meer stil te staan bij de kleine dingen van het leven.

Meer dan uit een oproep tot traagheid haalt deze roman zijn kracht uit een groeiende intimiteit. In het begin komt het nog vreemd over dat Gemma zoveel romans en biografieën over blindheid gelezen heeft en kan citeren. Maar naarmate we haar beter leren kennen, geeft ze zichzelf meer bloot en krijgen kleine details dieper en duidelijker hun plaats. Literatuur (kunst in het algemeen) behoort tot een overlevingsstrategie, net als de nachtelijke wandelingen en nog andere middelen. De vrienden worden eerst in haar zucht naar zelfstandigheid zoveel mogelijk op afstand gehouden en daarna weer ingezet om bijvoorbeeld op café te leren gaan. Om voor zichzelf te kunnen koken, moet ze zoeken naar oplossingen om bloem en olijfolie af te meten. Ze laat een walkman in haar brievenbus spelen, zodat ze op de terugweg van een wandeling gemakkelijk haar voordeur terugvindt. Ook de kleine gebeurtenissen (een botsing bij het oversteken met een fietser, een man die haar bij een wandeling aanspreekt) zijn leerprocessen in haar nieuwe wereld. Waar wij op gewoonten terugvallen, moet Gemma zich weer haar leven eigen maken.

De roman heeft stilistische overeenkomsten met een dagboek. Personages en gebeurtenissen worden niet echt ingeleid, maar duiken op zoals ze in het hoofd van Gemma opduiken. Al lezende raak je gewend aan het denkproces, dat nuchter en zonder franjes neergezet wordt en vooral: zonder expliciet terug te verlangen naar het leven voor het ongeluk. Ze aanvaardt haar leven en in het schrijven wil ze dat voor haarzelf ook bevestigen. En wanneer ze zich op een ochtend dan toch beklaagt over haar opgeslotenheid, schrijft ze nog diezelfde avond: 'Mijn kleine lamentatie van vanmorgen ga ik niet meer corrigeren, de woorden waren eruit voordat ik er erg in had. Wat heeft het voor zin om je druk te maken over zo'n stroompje, dat daardoor alleen maar verder aanzwelt?' Gemma blijft onverzettelijk waar het haar stoïcijnse gemoed betreft.

Ooit vroeg een gehaaste man in de ontvangsthal van Berchem-station aan mijn oom waar hij de trein naar Brussel kon nemen. Mijn oom, die ook naar Brussel moest en blind was, antwoordde: 'Neem mijn arm, ik breng je er naartoe.' Marie Kessels laat ons 201 pagina's lang aan de arm van een blinde meelopen. Tijdens die wandeling leren we een vrouw kennen die (noodgedwongen) bewust in het leven staat en die uit haar traagheid zoveel mogelijk betekenis en verfijning haalt. Een aanrader voor wanneer je op de trein naar je werk zit.

Details Non-fictie
Auteur: Marie Kessels
Copyright afbeeldingen: De Bezige Bij
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
208