María Gainza, 'Zwart licht'

Rouwen tot kunst verheven

Dat kunst ons kan beroeren leidt geen twijfel. Maar dat vervalsingen dat evengoed kunnen, doet al eens wenkbrauwen fronsen. Nochtans is het de kwaliteit van een werk dat ons aanspreekt, niet het kapitaal dat erachter zit. In ‘Zwart licht’ stelt María Gainza onder meer de hypocrisie van de kunstwereld aan de kaak in een boek dat in de eerste plaats een rouwroman is.

Want rouwen doet het hoofdpersonage. We leren haar kennen onder de valse naam María Lydis wanneer ze incheckt in Hotel Étoile om ‘het schrijvertje naar boven [te] halen dat in ieder van ons schuilt’. Ze heeft namelijk iets te vertellen, of beter, ze moet iets bekennen. Enkel zo kan ze het achter zich laten en opnieuw beginnen.

De aanzet van Gainza’s tweede roman prikkelt onmiddellijk. Wie echter haar debuut ‘Oogzenuw’ las, weet dat ze geen chronologische verhaaltjes vertelt met een duidelijk begin, midden en einde. Ook ‘Zwart licht’ staat bol van de filosofische bespiegelingen, essayistische passages over kunst, fragmenten van catalogi en lichte anekdotes. Doorheen dit alles is een rouwproces geweven dat de vorm aanneemt van een zoektocht naar een verdwenen kunstenares/vervalster, La Negra.

Lydis leert La Negra kennen via de verhalen van Enriqueta Macedo, haar collega bij een taxatiebureau, maar in de eerste plaats haar leermeester. Wanneer Enriqueta sterft, vat Lydis het plan op om een biografie te schrijven over La Negra, ‘een mooie mysterieuze vrouw, zogezegd de beste kunstvervalster die ons land ooit heeft gekend’. Lydis’ onderneming brengt haar in contact met wankele getuigen die zowel dicht als ver van La Negra af stonden, maar al snel beseft ze dat ‘iemands levensverhaal per definitie onvertelbaar is’ en dat ze haar zoektocht vooral heeft bedacht om met Enriqueta in gesprek te blijven.

Dat ‘Zwart licht’ zich afspeelt binnen de wereld van de beeldende kunst zal geen toeval zijn. Gainza werkt zelf als kunstcritica en essayist voor enkele vooraanstaande magazines in haar thuisland Argentinië en daarbuiten. Ze schrijft met de nodige eruditie, maar zit er tegelijk in gevangen. Gelukkig beschikt ze over de nodige zelfspot en smokkelt ze ironische opmerkingen in haar boek om dat te bevestigen. Een job als kunstrecensente is voor haar hoofdpersonage ‘de eerste de beste job’ en niet iets wat haar ‘bovenmatig interesseerde, integendeel’.

Recenseren staat volgens dat hoofdpersonage op de laagste trede van de schrijfkunst, terwijl literatuur bovenaan prijkt. Al vindt ze personages met een precies afgebakend verleden, een rechtlijnig karakter, een consequent gedrag een van de grootste leugens van de literatuur. ‘We hebben weinig of niets: alleen wat we vandaag zijn, hooguit wat we gisteren deden, en als het meezit wat we morgen zullen doen.’

In haar werk ondermijnt María Gainza die grote leugen van de literatuur en onderschrijft ze de onwetendheid. Haar personages bieden geen antwoorden, maar roepen vragen op. Wanneer Lydis haar zoektocht naar La Negra stopt, blijft de kunstenares/vervalster wel in haar gedachten. ‘Zou ze dood zijn? Dan verjaag ik dat idee als een vlieg en zeg tegen mezelf: Nee. Er zit te veel leven in.’ Een vaststelling als een ode aan de vernieuwing die woedt binnen de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur en waar Gainza tegelijk adept en initiator van is.

Details Fictie
Originele titel:
La luz negra
Auteur: María Gainza
Vertaler: Trijne Vermunt
Uitgeverij: Podium
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
172