Ludvík Vaculík, 'Cavia's op proef'

Beestige humor

“In Praag woont meer dan een miljoen mensen, die ik hier maar niet een voor een zal opnoemen.” Zo luidt de openingszin van ‘Cavia’s op proef’ van Ludvík Vaculík, een Tsjechische schrijver die vorig jaar overleed. Deze frase zet meteen de toon voor waar we ons in het vervolg van de roman aan kunnen verwachten: een relaas over de lotgevallen van een bankbediende in het licht absurdistische universum van de hoofdstad van het communistische Tsjechië, doorspekt met fijnzinnige en ironische geestigheden van het type “hij was niet krankzinnig, maar psycholoog.”

Vašek – de ik-persoon – werkt bij de Staatsbank, waar de voornaamste bezigheid van de werknemers erin bestaat om aan het einde van de dag te proberen zoveel mogelijk bankbiljetten voorbij de aan de uitgang geposteerde veiligheidsagenten te smokkelen. Gewoonlijk vinden de portiers de contrabande, waarna ze het confisqueren en de bedienden mogen beschikken. Na een tijdje beslist de directie echter om niet alleen de gestolen biljetten maar ook de rest van de cash die de dieven op zak hebben, in beslag te nemen. Als reactie hierop besluit het personeel,  volgens een absurde redenering die zo door Milo Minderbinder uit ‘Catch-22’ geopperd zou kunnen zijn, om gewoonweg niet meer te stelen – dat zal de snoodaards leren!

Het bevreemdende aspect van de bureaucratie, dat de personages steeds omsluit maar jammer genoeg nooit wordt uitgediept, herinnert uiteraard ook aan die andere Tsjechische schrijver. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Vaculík een van zijn personages sporadisch K. noemt, als verwijzing naar het hoofdpersonage uit Kafka’s ‘Het proces’.

De hoofdbezigheid van Vašek in deze roman is echter niet zijn werk op de bank, maar zijn observatie van Peruaanse biggetjes (Cavia porcellus). Hoewel de proeven waaraan hij de dieren onderwerpt in het begin nog vrij onschuldig zijn, zoals viool spelen om te kijken hoe ze daarop reageren of hen op een hoogvlakte – in casu de boekenkast – plaatsen om na te gaan hoe ze zich uit deze situatie redden, worden de experimenten gaandeweg grimmiger van aard. Het wordt zelfs zo erg dat de verteller het op een gegeven moment niet meer aandurft om in de eerste persoon enkelvoud over zijn daden te schrijven. De schaamte voor zijn ijzige sadisme wordt simpelweg te groot.

Doorheen het verhaal hielden we meermaals onze adem in omwille van de gruwelijkheden waaraan de arme beestjes nu weer onderworpen zouden worden. De spagaat tussen de lichtvoetige humor en de huiveringwekkende beproevingen zorgt ervoor dat je als lezer meer dan eens in een nerveuze lach schiet, ook al ben je hoegenaamd geen sadist. Geleidelijk aan kom je dan ook tot het besef dat Vašek niet zozeer een observatie over het gedrag van cavia’s zit op te schrijven, als wel de menselijke natuur in kaart brengt.

Ondanks de verschrikkingen bleven wij toch enigszins op onze honger zitten. Als je dan toch begint te graven in de duistere kanten van de mens, kan je maar beter tot op het bot gaan. Hoewel dit niet gebeurt, levert de schets van Ludvík Vaculík, verpakt in een flinke dosis broodnodige humor, alleszins de volgende boodschap op: dat de mens, eenmaal gecorrumpeerd door de macht die hij kan uitoefenen over andere wezens, tot weerzinwekkende dingen in staat is.

Details Fictie
Originele titel:
Morčata
Auteur: Ludvík Vaculík
Vertaald door: Kees Mercks
Uitgeverij: Editie Leesmagazijn
Jaar:
2015
Aantal pagina's:
230