Lucas Hirsch, ‘Dolhuis - natura naturata’

De wereld, een gesticht?

Lucas Hirsch is niet bepaald wat je zou noemen een typische dichtersfiguur. Of zo stelt hij zichzelf althans niet voor, noch in wat hij schrijft, noch in hoe hij – gewapend met bokshandschoenen en poserend bij een soort piñata – op de achterflap van zijn laatste bundel ‘Dolhuis’ staat afgebeeld. Maar wat is het traditionele beeld dan dat mensen van dichters hebben? Moeten het per se minzame, vredelievende kamergeleerden zijn met lange baarden en grijze haren? Natuurlijk niet. Wel is poëzie het genre bij uitstek waarin de suggestie kan zegevieren en de dichter is dan ook meestal niet diegene die op de barricades gaat staan om luidkeels te reciteren wat er verkeerd aan het lopen is in deze wereld, maar daarvoor omfloerste woorden zoekt. Hirsch, die wel degelijk kaas gegeten heeft van het schrijven van poëzie, toont zich met zijn derde bundel nu juist wel als iemand wiens werk mensen wil wakker schudden. Hier geen tierlantijntjes die de gang van zaken met zoete woorden zal toedekken, maar keihard taalgebruik dat de lezer onmogelijk onberoerd kunnen laten.

Hirsch zal dus niemand koud laten en dat is op zich al een prestatie. Anderzijds zoekt de man in een aantal van de 35 gedichten die ‘Dolhuis’ rijk is te expliciet de provocatie op. De pikken, kutten en joden werden iets te flamboyant over de bladzijden heen gedrapeerd en het is jammer dat tegenover de vele uitspattingen geen overheersende toon van grote verstilling staat. Het zijn immers de zachtere gedichten – die gelukkig nog altijd n de meerderheid zijn – die men meest kan genieten, omdat Hirsch erin demonstreert hoe hij taal als instrument kan aangewenden om een niet te bevatten werkelijkheid mee op te roepen. Uiteraard kiest de auteur bewust voor poëzie die afstand doet van haar traditionele zalvende rol van pleister op de wonde. ‘Dolhuis’ is in zijn geheel zeker geen bundel waarin troost en loutering voor het grijpen liggen – veeleer is het een ervaring die de lezer zijn eigen maatschappelijke visies moet doen herevalueren.

Geordend volgens de vijf stadia van een verwerkingsproces (ontkenning, protest, onderhandelen & vechten, depressie en aanvaarding) zou ‘Dolhuis’ gelezen kunnen worden als een rouwstoet omwille van een wegkwijnende tijd, waar Hirsch uiteindelijk berusting in vindt. Daarbij moet genoteerd dat zelfs in de finale flarden van geweld, onwetendheid en perversiteit door het wolkendek breken om tot op de laatste bladzijde met beelden op de proppen te komen die te indringend zijn om ‘Dolhuis’ met een gevoel van acceptatie te kunnen neerleggen. Waar het in het begin van de bundel nog de recensenten zijn die er stevig van langs krijgen, moeten de dichters zelf er uiteindelijk aan geloven, gegeseld tot de poëzie er volledig uit is gekomen.

Als allerlaatste daad van verzet drukt Hirsch in de laatste regels de onmogelijkheid uit om tegenwoordig nog gedichten te schrijven: ‘Vergeet niet dat alles poëzie is vandaag de dag / Dat alle poëzie vandaag de dag vergeten wordt’. Een paradoxale instructie voor wie in dit laatste gedicht een impetus zoekt voor het leven in deze geregeld ranzige, dikwijls achterbakse en vaak malafide wereld, want wat blijft er over als alles poëzie is en poëzie wordt vergeten? Alle sofisten mogen snel ‘Dolhuis’ in de boekhandel gaan bestellen, hoewel ook zij deze bundel allicht niet zeer regelmatig uit de kast zullen halen eenmaal gelezen. Slechts in een paar gedichten legt Hirsch immers genoeg mysterie om ze keer op keer te laten beklijven; de andere teksten zijn inspirerend, maar blijven dat niet.

Details Poëzie
De wereld is naar de verdoemenis en de dichter weet het.
Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
66