Krijn Peter Hesselink, Stil alarm

Gecontroleerd ontsporen

'Stil alarm' is de poëtische lakmoesproef van Krijn Peter Hesselink (1976). De tweede bundel van de Nederlandse oud-kampioen poetry slam is een langgerekte oefening in gecontroleerd ontsporen.

Hesselink heeft de bundel, zoals hij ook bij zijn eerste deed, ingedeeld in afdelingen. De eerste afdeling, 'Het duister van de tas', bevat slechts drie gedichten, maar is sterk genoeg om de toon te zetten voor het vervolg. De ik-persoon verwondert zich over wat er om hem heen gebeurt. Het gaat telkens om situaties die niet escaleren, maar toch een zekere dreiging, een zeker duister in zich dragen.

De ik-persoon observeert ze alsof hij half los van de wereld staat. Hij veroordeelt de dingen niet, maar laat ons wel in zijn ziel meekijken. In het tweede gedicht, waarin hij een man treft die lijdt aan verder onbepaalde wanen, sluit hij als volgt af: 'hij zei / ja jij kan er ook niks aan doen, en ik voelde / de zonden van de wereld / rusten op mijn schouders'. In het laatste gedicht van de afdeling laat hij zijn hand achter in een tas en de tas in het station, wachtend op iemand die de hand in de tas steekt, en de twee handen gevouwen in de tas achterlaat. Het gevoel waarvan de ik-persoon vermoedt dat het de spoorwegpolitie moet bekruipen als die de tas gealarmeerd openrukt, komt telkens terug in de rest van de bundel: 'hoe overbodig / kan een mens zich voelen'.

De titel van de bundel dekt de lading daarom goed: in deze gedichten slaat de dichter alarm, maar slechts stil. Elk gedicht bevat een of meerdere elementen die ontsporen. Dit is echter niet de belangrijkste factor voor het slagen van deze poëzie. Het is de combinatie van de delen die uit het gareel lopen met een sterk volgehouden nonchalance qua toon die de vervreemding extra goed doen uitkomen.

Zo ook in het gedicht 'De bomen, het bos' waar de titel al lijkt de verwijzen naar spreekwoordelijke verwarring: 'Waar moeten alle bomen heen, de zaadjes / dwarrelen door de straat, benemen mij / het zicht op wat de stad de stad maakt, ergens / gaan kinderen naar school, slaan brave vaders / toch maar geen ster in het beeldscherm van hun laptop / de feiten vinden elders wel een barst / om achter weg te kruipen'. In deze eerste regels begint de dichter met een wat absurde vraag die tegelijk wel erg concreet is. Ook in het vervolg nemen de concrete benoemingen van de kinderen en de vaders de overhand. Dan sluipt er terloops een algemene verzuchting binnen, een berusting dat je geen barsten hoeft te maken opdat er barsten zouden zijn. De rest van het gedicht verwaait zoals de zaadjes in de eerste regel: de verlorenheid is compleet naar vorm en inhoud.

Zo nu en dan roept de bundel vragen op die onze poëtische leeservaring niet op een hoger plan brachten. We konden bijvoorbeeld de eenheid van de tweede afdeling 'Heimelijke recreanten' nog het etiket van bij vlagen moeizame liefdesgeschiedenis meegeven, maar het onderliggende verschil tussen de gedichten uit de derde en de vierde afdeling blijft ons een raadsel, afgezien van de observatie dat er in de vierde afdeling meer wordt gesproken over menselijke verhoudingen dan in de derde.

Ook missen enkele gedichten urgentie. Waarom moesten ze geschreven worden? Wat is het bovenop de scherpe observatie? In het gedicht 'Uitzicht' beschrijft de ik-persoon hoe 'de schillen van een mandarijn / steeds andere patronen' vormen en trekt hij die flux door tot zijn naaste omgeving (het plaveisel, het glas) die meetrilt bij auto's die voorbij denderen en bij beweging van de ik-persoon zelf. Ondanks de prachtige regel 'oud glas trekt rimpels in / het uitzicht' is het een gedicht dat aan ons voorbijgaat bij gebrek aan een bepaald verhaal, gevoel of positie.

Deze kanttekeningen nemen echter niet weg dat het overgrote deel van de gedichten op zijn plaats staat en tot nadenken aanzet door de combinatie van alledaagse situaties en een enkel vervreemdend element. De gedichten op zich mogen dan een alarmerende ontsporing in zich dragen, de bundel als geheel blijft goed op de rails.

Details Poëzie
Auteur: Krijn Peter Hesselink
Uitgever: Nieuw Amsterdam
Jaar:
2009
Aantal pagina's:
62