Alfred Schaffer, Kooi

Een kooi om telkens opnieuw te betreden

‘Alfred Schaffer opent in Kooi de ruimte achter onze herkenbare werkelijkheid.' Dat is de eerste zin op de achterflap van de nieuwste bundel van Alfred Schaffer, genomineerd voor de VSB-poëzieprijs die aanstaande donderdag wordt uitgereikt in Amsterdam. Het is al zijn derde bundel die genomineerd werd voor deze zeer belangrijke poëzieprijs van het Nederlandse taalgebied, terwijl de dichter pas van bouwjaar 1973 is. Verdient Schaffer nu eindelijk die prijs, is drie keer scheepsrecht?

Nee, niet vanwege dat gezegde. Jawel, als je op de koop toe neemt dat je de bundel telkens opnieuw ter hand moet nemen, wil je er iets van maken. En dat is een compliment. Het eerste dat opvalt aan ‘Kooi' is, om het oneerbiedig te zeggen, het vele gebabbel. Schaffer grossiert in uitdrukkingen als ‘waarom zou je ook', ‘Zo ging het niet langer' en ‘Mensen komen en gaan'. Die maken dat zijn gedichten op het eerste gezicht vrij gemakkelijk lezen. Het voelt aan alsof er tegen je gepraat wordt met een kabbelende stem. Dat is natuurlijk bedrieglijk, want lees je zo, ga je voorbij aan de vervreemdende opmerkingen die eraan gekoppeld zijn. In het licht van die ongewone observaties krijgen de tussenwerpsels (want dat zijn het haast) wel kracht. Ze versterken het idee dat je als lezer op iets onderhuids gestuit bent, iets waarvan je niet eens zeker bent of je er meer over wil weten.

Schaffer toont meer dan het dagelijkse fatsoen toelaat, opent de ruimte achter onze werkelijkheid - zoals gezegd op de achterflap. Maar wat voor ruimte is dat dan? Dat is moeilijk te zeggen. De eerste lezing leek het de ruimte tussen oude bekenden of geliefden te zijn, die elkaar na lang weer terugzien en elkaar beschouwen met de blik van een buitenstaander, kritisch maar ook beïnvloed door een gedeeld verleden. Gaandeweg de eerste lezing werd dit al minder plausibel. Gaat het om een ik-figuur met een meervoudige persoonlijkheid? Iemand die in zijn eigen kooi opgesloten zit, maar dan wel met tig anderen? Dat zou kunnen, gegeven de allusies op, bijvoorbeeld, het aannemen van verschillende namen en het driftig in zichzelf praten.

Dit idee lijkt ook gestaafd door het tweede gedicht van de bundel, ‘Niet met de bestuurder praten', waarvan hier slechts een fragment: ‘Er is een stemmetje in mijn hoofd, // dat zet mij elke ochtend in beweging. Maar tegenwoordig / hang ik van smoesjes aan elkaar. De winterschilder afgebeld / en weer opgebeld. ...Gelukkig, jij bent er / nog, en jij niet alleen, misschien dat dit perfectie is, opeens / ben je met velen. Eindelijk. Wat ben ik blij jullie te spreken.' In dit fragment wordt ook duidelijk waarom de bundel niet in het luchtledige blijft hangen: de dichter behoudt de band met de banale werkelijkheid zoals we die allemaal kennen door schijnbaar eenduidige woorden over de winterschilder. Het maakt dat zijn poëzie zo dichtbij kan komen, om je dan te overvallen met een dieper stuk.

Draait de bundel dus om het geraas van een geesteszieke, of is dat veel te ver gezocht en speelt de dichter gewoon met de ruimte die ieder van ons in zich heeft? We denken soms dat we als mens een unieke eenheid vormen, maar wat we zeggen, voelen en doen kan soms voor onze omgeving en ook voor onszelf, heel erg versplinterd lijken, alsof we zogezegd onszelf niet zijn. Misschien laat Schaffer zijn ik-persoon simpelweg naar zichzelf kijken alsof hij iemand anders is, en zich laat verwonderen over de ongerijmdheden in zijn gedrag.

De kracht van de bundel is dat Schaffer weinig doet om deze ongerijmdheden weer te rijmen. Hij zigzagt, op de eerlijke en vaak gemoedelijke toon van een brief aan een bekende, tussen zeer algemene uitspraken en prachtige lyrische fragmenten, zoals in ‘Geen natuurlijk evenwicht': ‘jij en ik / voor de ontruiming met zo'n glimlach uit de tijd dat het geluid / nog niet was uitgevonden'. Misschien is dit dan de ultieme dichterlijke ruimte die Schaffer laat: het is het beetje dat je overhoudt als je denkt een beeld te hebben van wat er gebeurt in een gedicht of in de bundel. Telkens opnieuw wordt dat beeld op losse schroeven gezet. De echte kwaliteit ligt in het feit dat je als lezer geen moment ontmoedigd bent om opnieuw te lezen. Daarvoor is de taal te uitnodigend en te zeer met plezier op papier gezet, en blijven de gedichten te sterk fascineren. Er rest ons dus niets dan de kooi telkens opnieuw te betreden, en er telkens meer en andere dingen in te zien.

Details Poëzie
Auteur: Alfred Schaffer
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
68