Joseph Roth en Stefan Zweig, 'Elke vriendschap met mij is verderfelijk'

Een redder in nood

De driehonderdste titel - terecht met een gouden randje eromheen - in de reeks Privé-domein is er een om u tegen te zeggen: de briefwisseling tussen de schrijver Joseph Roth (1894-1939) en zijn beschermheer Stefan Zweig (1881-1942). Het gaat om een aardige collectie stijlvolle brieven uit de periode 1927-1938, een ellendig decennium uit de Europese geschiedenis, met als belangrijkste gegeven hoe de machtsgreep van de nazi' s een schaduw werpt op hun relatie.

Hoe ze beiden staan afgebeeld op de cover van het boek: twee auteurs, in de zomer van 1936,  zittend aan  een restauranttafel in Oostende. Roth met afwezige blik in de lens kijkend en Zweig die meer oog heeft voor zijn aloude vriend dan voor het moment waarop de fotograaf afdrukt. De foto spreekt boekdelen. Twee vrienden die elkaar in Oostende treffen: Joseph Roth die altijd naar ergens onderweg is en Stefan Zweig, die er met zijn ouders al verbleef, en vertrouwd is met het werk van James Ensor en Léon Spilliaert.

Zweig, een man van de wereld, die eerder al vriendschappen had gesloten met gerenommeerde schrijvers en kunstenaars als Emile Verhaeren, Auguste Rodin en Rainer Maria Rilke, schreef Roth toen hij vooral in vakkringen alom werd geprezen voor zijn journalistieke arbeid. Hun correspondentie kwam evenwel pas goed op gang toen ze elkaar in mei 1929 in Salzburg ontmoetten. Vanaf dat moment beschouwt Roth Stefan Zweig als een broer, iemand bij wie hij altijd terecht kan en alles  - vooral geld - mag vragen. Een opdracht die Zweig in vrijwel alle omstandigheden op zich neemt.

In een brief van juli 1936 aan Friderike Zweig, verstuurd vanuit Oostende, meldt hij: 'Ook Roth heb ik er weer wat bovenop kunnen helpen, hij eet nu elke dag - alleen tot wandelen heb ik hem niet kunnen bewegen, laat staan zwemmen. Ik heb hem ook nog een tijdje verzorgd, maar hij staat er, net als alle schrijvers, slecht voor, de omzet daalt zienderogen en het zal alleen maar moeilijker worden.' 

In de meeste van zijn brieven maakt Roth, die voortdurend op reis is en in hotels een tijdelijk onderkomen probeert te vinden, gewag van een nijpend gebrek aan financiële middelen. Dat hij hiervoor aanklopt bij Zweig weegt niet op hun vriendschap. Het lijkt erop dat ze elkaar, wat hun ook mag overkomen, eeuwige trouw hebben gezworen. Naar aanleiding van Roths overlijden in 1939 publiceerde Zweig een in memoriam waarin hij vol lof was over de romans 'Job' en 'Radetzkymars', net als over de schrijfstijl van zijn vriend.

'Hij schreef elke pagina van zijn boeken met de inborst van een ware dichter; als een goudsmid polijste hij elke zin steeds weer opnieuw, tot het ritme perfect was en de kleur schitterde.'

'Elke vriendschap met mij is verderfelijk' sluit naadloos aan op andere nagelaten publicaties van Roth als 'Joden op drift' en 'Hotelmens' die eerder al in het Nederlands werden vertaald door Els Snick. Met dit verschil dat de lezer hier de ongefilterde Joseph Roth leest.