Joseph Roth, 'Charleston op de vulkaan: reportages uit Albanië en Italië'

Een waarschuwende vinger

Niets wijst er momenteel op dat er een einde komt aan de publicatie van de nagelaten geschriften van Joseph Roth (1894-1939). Nagenoeg vijf jaar geleden nam Bas Lubberhuizen het initiatief 'Hotelmens. Reportages en brieven' uit te geven. Het was het begin van een aantrekkelijke reeks die telkens door een auteur werd ingeleid. In 'Charleston op de vulkaan' - een verzameling reportages uit Albanië en Italiê - heeft Roth het onder andere over het fascisme dat hij anno 1928 de kop zag opsteken.

In haar nawoord merkt vertaalster Els Snick terecht op dat Roth lezen zo veel meer is dan een terugblik op het verleden, maar evenzeer een open venster betekent op het heden en de toekomst met alle uitdagingen en problemen van dien.

Hij is een genereus man die door Piet de Moor, in de inleiding van dit boek, treffend wordt geportretteerd: 'Hij is - om Oscar Wilde te parafraseren - een man die van niets de prijs, maar van alles de waarde kent. Hij drinkt. Hij is ongedisciplineerd. Maar zodra hij naar de pen grijpt is hij als 'precisiefanaticus' en radicale waarheidszoeker onkreukbaar.'

Een alerte waarnemer voor wie de monarchie een soort scherm is waarop hij zijn humane verzuchtingen projecteert in een tijdperk dat op het punt staat al zijn waarden overboord te gooien.

'Wie Roth leest, beseft dat hij, in elk genre, de werkelijkheid krachtens zijn taal erotiseert. Hoe vurig zijn temperament ook is, zijn toon is doorgaans zakelijk, ironisch en koel, in zijn romans niet minder dan in zijn reportages.'

Het is opvallend met hoeveel mededogen hij de bevolking van de landen en steden waar hij verblijft beschrijft. De Albanezen die het grensgebied bewonen tot aan Griekenland zijn volgens hem mensen zonder toekomst. De mooie vrouwen die hij in Sarajevo ziet, gedragen zich als meisjes van een kostschool. Amerikanen doen gespeeld aardig tegen Bulgaren omdat ze altijd synthetische sponsen aan Sofia hebben geleverd. Et cetera.

Waar hij zich ook bevindt, er is altijd een toevallige ontmoeting met iemand die hij als een bevoorrechte getuige aan het woord laat. Zo is er een Albanese majoor die hem vertelt dat het een geluk is dat de Turken de Albanezen onderdrukt hebben en ze afgesloten hielden van hun cultuur, anders was de Albanese taal helemaal verdwenen.

In een van zijn reportages voor de Frankfurter Zeitung signaleert hij anno 1928 dat Italië meer een bestemming is voor mensen op huwelijksreis dan voor journalisten. Hij ziet er overal fascistische spionnen en voelt er zich allesbehalve behaaglijk. In Rome vindt hij zelfs de hotelportier onsympathiek om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat een buitenlander de verandering van het regime allereerst herkent aan de portier.

'Hij neemt bij de begroeting meteen het paspoort in. Ik geef toe dat ik een groot wantrouwen koester tegenover die landen waar ik in hotels mijn pas moet afgeven. (Sommige reizigers kan dat niets schelen.)'

'Charleston op de vulkaan', dit keer enthousiast geïllustreerd door Koenraad Tinel, is alweer een meer dan lezenswaardig boek van een schrijver-journalist, begiftigd met een zeldzaam inlevingsvermogen. Hem lezen is eraan herinnerd worden hoeveel wereldleed een schot in Sarajevo en nadien het fascisme hebben veroorzaakt.