John Keats & Percy Bysshe Shelley, ‘Gedichten 1820’

Tranen naar liefdes wet

Allebei dichter, allebei min of meer ophefmakend in hun tijd. Generatiegenoten, veel te jong gestorven, nog voor ze goed en wel de tijd hadden gekregen om elkaar echt als vrienden te gaan beschouwen. Hoewel ze bij leven weinig contact hadden, raakten hun namen in de overlevering verweven door Shelley’s ontroerende vaarwel – het welbekende ‘Adonaïs’ – ter nagedachtenis van Keats. Bijna twee eeuwen na de feiten wordt nochtans vermoed dat Shelley het overlijden van zijn collega vooral aangreep om zelf met de zogezegd onaanraakbare kaste der critici af te rekenen. Shelley verbond Keats’ overlijden aan de tering met diens vatbaarheid voor kritiek en kwetsbaarheid als persoon – alsof een mens door verbale besmetting tbc kan oplopen. Dat kan Shelley niet echt geloofd hebben, welke uitzonderlijke ideeën hij er verder ook op nahield.

Athenaeum - Polak & Van Gennep had zich van een commercieel aantrekkelijke formule kunnen verzekeren door een bloemlezing met het beste werk van beide dichters na te streven, als opvolger van het prachtige ‘Lyrische balladen’, dat werk van Wordsworth en Coleridge – vertegenwoordigers van de eerste generatie Engelse romantici – bevat. ‘Gedichten 1820’ is echter niet als een best of opgevat, want wie kan, mag of durft het onderscheid maken tussen Keats’ goede, betere en beste werk? Een dergelijke afweging is niet alleen hoogst subjectief, ze resulteert per definitie in een onvolledig boek. Daarom werd als kern van deze publicatie gekozen voor werk dat beide dichters voltooiden omstreeks 1820. In plaats van een overzicht, geeft deze bundel een heterogene momentopname van waar de twee kunstenaars op het moment kort voor hun dood mee bezig waren.

Van het dichtersduo was Shelley diegene met de grootste fascinatie voor het abstracte en het onaanraakbare. Beiden hebben ze ongrijpbare gedichten geschreven, maar diegene van Shelley neigen naar de allegorie en de theoretisering, waar rondom Keats’ poëzie een aura van mystiek is blijven hangen, hoeveel uren studie bepaalde academici er ook aan hebben gespendeerd. In ‘Gedichten 1820’ komen van Shelley ‘Prometheus unbound’ (een eigengereide adaptatie van een toneeltekst van Aischylos), ‘Adonaïs’ en enkele andere gedichten samen. Een luxueuze mix is het, want dat Shelley’s poëzie als onderdeel van een breder opgevat, hyperindividueel kunstenaarschap zag, wordt zo – onder meer door de aanwezigheid van Shelley’s eigen inleidingen – onmiskenbaar.

Wat Keats heeft nagelaten, openbaart zich dan weer als poëzie van een andere wereld – het gaat om een batterij van uitzonderlijk fragiele en onnavolgbaar fantasierijke regels. De gehele bundel ‘Lamia, Isabella, The eve of St. Agnes, and other poems’ legt getuigenis af van een bodemloze vindingrijkheid, een die als uitlaatklep tegenover de smart van onbeantwoorde liefde en lichamelijk lijden de creatieve escapade plaatst. De ideeënwereld van Shelley lost op in het taalbad van Keats – de rivier van de taal is zelf het momentum van schoonheid, en is niet langer een middel om esthetiek via de geest te katalyseren. Keats’ gedichten zijn directer dan die van Shelley – hun nevenschikking in dit boek maakt dat haast vanzelfsprekend.

Vertaler Jan Kuijper weet nagenoeg perfect hoe hij de polymorfe facetten van de originele gedichten in gracieus Nederlands moet omzetten. Wie Keats leest, wil echter zelf kauwen op diens soepele Engels. Kortom: het enige manco van deze verder fantastische uitgave, is het ontbreken van de authentieke teksten.

Details Poëzie
Tranen naar liefdes wet
Originele titel:
Lamia, Isabella, The eve of St. Agnes, and other poems, Prometheus unbound, a lyrical drama in four acts, with other poems, Adonais, an elegy on the death of John Keats, author of Endymion, Hyperion etc.
Vertaald en toegelicht door: Jan Kuijper
Met een nawoord van: Arnold Heumakers
Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep
Jaar:
2014
Aantal pagina's:
272