John Banville, ‘De blauwe gitaar’

Virtuoze zielensmart met een likje kleur

‘Een meesterlijke studie van verdriet, herinnering en liefde’: het Man Booker Prize-juryrapport van Banvilles ‘De zee’ is even hard van toepassing op ‘De blauwe gitaar’. Alleen is de kunstcriticus nu vervangen door een vermaarde kunstschilder met een artist’s block en een hang naar ‘de edele kunst van het jatten’.

Het eerste wapenfeit van de kleptomane Oliver Otway Orme is een luxueuze dikke tube zinkwit. Het laatste is Polly, de vrouw van zijn vriend Marcus. Om de ravage van zijn plundertochten te overdenken, trekt Orme zich terug in zijn ouderlijke huis. Te midden van nevels zilverachtige regen begint hij een monoloog af te steken, vol bestofte herinneringen, kunstreferenties en zelftwijfel. De citaten om in te kaderen zijn legio. ‘Zo is het met me gesteld: altijd naar binnen of naar buiten kijkend, een koele vensterruit tussen mij en een ver verwijderde, maar wel verlangde wereld.’ Alsjeblieft.

Het commentaar op zijn eigen vertelstem houdt de hele boel luchtig. Zo zit Orme er niet mee om zijn uitspraken meteen te ontkennen, om toe te geven dat hij in het woordenboek heeft zitten snuisteren of dat hij een likje kleur toegevoegd heeft aan zijn beschrijvingen. Een uiterst specifiek likje trouwens. Zo beschrijft hij een baai als ‘een kom vol gebroken amethist bestrooid met spikkeltjes gesmolten zilver’ en een hemel als een ‘Poussin-lucht’. Altijd lijkt altijd op iets anders, klaagt Orme, en dat verklaart deels waarom hij niet meer kan schilderen. Dezelfde metaforen die Orme doen falen, maken van Banville een meesterlijk auteur.

Naarmate de roman vordert en Ormes wereld verder afbrokkelt, komt ook zijn doodsangst, of beter levensangst, steeds meer bovendrijven. Orme is een toeschouwer die niet weet hoe hij aan het echte leven kan participeren en op een startschot blijft wachten. Voortdurend observeert hij zijn eigen rol vanop een afstand, alsof er een spiegel tussen hem en het leven instaat. ‘[…] en nu heeft iemand me ruw bij de schouders gepakt en me rondgedraaid, en kijk! Daar was hij, de niet-gereflecteerde wereld van mensen en dingen, en ik ben nergens te zien.’

De Nederlandse vertaling loopt soepel, maar durft nogal eens flirten met pathetiek. Misschien leent onze taal zich niet zo goed tot Banvilles virtuositeit, of zijn de vertaalkeuzes van Arie Storm niet altijd even accuraat. Zo wordt het relatief courante ‘anguish’ bij hem het geaffecteerde ‘zielensmart’. Bovendien spat het typisch Nederlandse taalgebruik van de bladzijden. Terwijl ‘Dear me’ als eindpunt van het eerste hoofdstuk ironie en berusting verenigt, is ‘Asjemenou!’ niets dan lachwekkend. Wie Banville ten volle wil proeven, grijpt dus beter naar het Engels.

‘De blauwe gitaar’ houdt zich goed staande met een minimum aan plotontwikkelingen. De scènes en overpeinzingen volgen elkaar associatief op, zoals gedachten die ’s avonds alle kanten uit fladderen en niet meer te herleiden zijn tot hun bron. Banville neemt je zo diep mee in de gedachtewereld van Orme dat je eigen ideeën onlosmakelijk samensmelten met de zijne en, weg van de bladzijden, een eigen verhaal schrijven. Dat maakt de leeservaring uiterst persoonlijk, maar ook traag. ‘De blauwe gitaar’ laat zich langzaam verteren. Een bitterzoete nasmaak blijft. 

Details Fictie
De blauwe gitaar
Originele titel:
The Blue Guitar
Auteur: John Banville
Vertaler: Arie Storm
Uitgeverij: Em. Querido's Uitgeverij BV
Jaar:
2015
Aantal pagina's:
312