Johan de Boose, Geheimen van Grzimek

De koude en de doden

'Geheimen van Grzimek' van Johan De Boose, Oost-Europakenner en voormalig Klara-medewerker, draait niet zozeer om de ooit populaire Duitse zoöloog en dierentuindirecteur, maar de naar Grzimek genoemde zestiendelige dierenencyclopedie plaatst de ik in de eerste cyclus terug voor de boekenkast van zijn vader. “In vaders boeken woonde de wereld”, is de openingszin van de bundel. Dat wordt: “Hij woonde in zijn boeken, mij tegemoet”. Na drie gedichten over de gestorven vader en zijn natuurwetenschappelijke boekenkast volgen zeven nog symbiotischer gedichten over en met de zorgbehoevende moeder: 'Wij sloten alles buiten en vergroeiden met het huis.' De ik-persoon verlangt 'naar jouw dementie' en 'Wij hielden van ziek zijn. Niet zijn.' De zorg van de ik wordt geromantiseerd tot 'Twintig winters waren moeders mooiste tijd'. Een opsomming als 'het yoghurt morsen, / het om zich heen grijnzen, / het morren van zinnen, / het in luiers hangen als in matten.' voorkomt niet dat deze gedichten op het kitscherige af zijn.

Vanaf de tweede cyclus gaat de blik naar de buitenwereld. In gedichten met telkens een stad als ondertitel (veelal Oost-Europese en Balkansteden, maar ook Buenos Aires, New York, Jeruzalem) wordt de ik-persoon een zich betrokken voelende observator en voorbijganger. Landschappen worden opgeroepen (Sarajevo: 'Keien van wit steen glanzen / als gewassen schedels op het strand'), steden aangesproken (Vladivostok: 'Geen mens vergat je, / zelfs wie bijna stierf of amper leefde.') en de geschiedenis wordt aangeroepen (Auschwitz: 'Nooit gezien dat straten 's nachts / werden ontruimd zodat niemand / verleid werd om te kijken zodat / niemand iets hoefde te vergeten.')

Vaak worden in 'Geheimen van Grzimek' op gecondenseerde en hyperbolische wijze algemene uitspraken gedaan. De ene keer levert dat prachtige verzen op die tot nadenken aanzetten: 'Waar veel doden vallen, is veel liefde: // de verdelgde liefde van de doden / en de gewraakte liefde van de doders.' Maar wanneer een zin niet geloofwaardig is, klinkt hij al snel pathetisch: 'De eeuwen zijn zwanger van nederlagen.' Een dergelijke zin hoort thuis in de hele ondergangssfeer die de bundel uitdraagt. Met het gedenken van de geschiedenis van steden, komen vooral de doden aan bod. Maar het zijn de overwinnaars en achterblijvers die de eeuwen bezwangeren. Wij zijn één voor één kinderen van overlevenden.

Sterk is de korte derde cyclus die zich in Oostende huisvest. Elk van de drie gedichten begint met de zin: 'Zij breekt wakker en spoelt aan'. Hier werkt de hyperbolische stijl omdat uitingen van liefde op hun sterkst zijn wanneer ze een totalitair karakter hebben, maar ook omdat het verlangen een onverwachte wending neemt: 'Ik wil je kil en bitter als het water, / witter dan het land en lichter dan / de lichtste zinnen die ik zing.' Bovendien valt niet uit te sluiten dat de zee hier zelf als geliefde aangesproken wordt. De ik is dan een mijmeraar die herinneringen zou willen wegspoelen. Dan leest het eerste gedicht als een verlangen om in de zee te verdwijnen, en blijft de ik aan het slot achtergelaten achter: 'En als je eindelijk bij eb verdwijnt, / blijft op het zand de schrale schat / van wrakgoed achter, en in mij de pijn.'

Deze derde cyclus biedt een opening naar de geheimen uit de titel: 'Van haar verlangen is de koude / het geheim, die elke blik verteert.' Die koude sluit aan bij de doden die vergeten zijn, bij de rijke geschiedenis die in het hier en nu van een stad begraven ligt, bij de boeken van de vader en de intimiteit van de zorg voor de moeder. Een andere humuslaag zijn de overvloedige verwijzingen naar de Europese en Nederlandstalige klassieke literatuur: Homeros ('Er zit was in onze oren, zo raken we / niet uit de koers'), de Bijbel ('In de Hof van Olijven valt de nacht'), Shakespeare ('een Hamlet zien die van de rotsen stort') tot en met Hugo Claus ('ik, de pasgeborene, die vuur vat' knipoogt naar 'De Moeder'). Zelfs de titel van De Booses vorige bundel 'De vrijheid van zwijgen' duikt in deze bundel op.

De Boose sluit met zijn vierde bundel nog meer bij de opvatting aan dat poëzie in een hooggestemde, lyrische stijl gevoelens moet verwoorden. Er ontbreekt bij momenten echter een tegengewicht, waardoor de gedichten zwaar op de hand worden. Ik mis de nuchtere afstandelijkheid die je in De Booses vorige bundel naar de keel greep. De krachtige momenten die er dan wel zijn, dreigen mee te verdwijnen in het gebrek aan reliëf in het geheel van de bundel.

 

Details Poëzie
Auteur: Johan de Boose
Copyright afbeeldingen: Meulenhoff/Manteau
Uitgever: Meulenhoff/Manteau
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
64