Jesse Ball, ‘Het duikersspel’

Deugt de mens nog wel, ook in een samenleving waar chaos en terreur vrijwel volledig de overhand nemen? Die vraag vormt een van de uitgangspunten van 'Het duikersspel' (oorspronkelijk uitgegeven als 'The diver's game' en in het Nederlands vertaald door Jan Willem Reitsma), de nieuwste roman van jong literair talent Jesse Ball. De onder meer door het literaire tijdschrift Granta geprezen Amerikaan pende talloze romans, dichtbundels en essays, maar verwierf vooral bekendheid via het ronduit uitstekende 'Census'.

In zijn nieuwste roman tracht Ball vooral een literaire visie uit te werken. Zo geeft hij in diverse interviews grif toe dat zijn nieuwste werkstuk in slechts een aantal dagen tot stand kwam. Bovendien stelt hij dat literatuur voor hem geen spektakelwaarde heeft. Evenmin zou het, zeker zoals in de Verenigde Staten - zijn thuisland, beschouwd mogen worden als louter entertainment. Dat merk je ook aan Balls' meest recente worp, want die stelt de lezer voor een bevreemdende rit vol vragen.

Ball laat de lezer kennis maken met een wereld op drift. Een samenleving die opgedeeld geraakt is in verschillende kwadranten: afgebakende terroritoria die als onderdelen van een gevangenis gelden. Inwoners worden opgedeeld in pads en quads, waarbij die eersten in het bezit zijn van een gasmasker. De quads op hun beurt zijn van hun rechterduim ontdaan en werden gebrandmerkt met een tatoeage van een rode muts op de wang.

Aan de hand van deze eenvoudige concepten tracht Ball de lezer mee te krijgen in een bundeling van (kort)verhalen die sterk van de hak op de tak springen. De Amerikaan maakt daarbij snel vaart, waardoor je als lezer best snel door de roman heen leest. Tezelfdertijd tracht Ball enkele belangrijke vragen aan de orde stellen, onder meer over ethiek, ecologie, de rechtvaardiging van geweld en de verhouding tussen mens en maatschappij. Ten slotte, vindt hij, moet je als schrijver echt iets te zeggen hebben. Anders kan je het maar beter zo laten.

Meteen is dat ergens ook het manco aan deze roman. Ball wil zoveel zeggen, maar helaas heel erg versluierd. Zo tussen de regels door merk je dat hij wat dieper wil ingaan op actuele, urgente thema's als ecologie, bijvoorbeeld door al in het eerste hoofdstuk een bezoek aan een dierentuin en het laatst overlevende zoogdier (een haas) weer te geven. Echter haspelt Ball hier alles veel te snel af, waardoor je als lezer van de ene verhaallijn naar de andere meegesleurd wordt. Weliswaar zonder dat hij je echt bij de lurven neemt, zoals dat bij voorganger Census wél het geval was.

Als lezer is het best lastig om de lossere eindjes die in de verschillende verhalen aan bod komen met elkaar te gaan verbinden. Dat wordt misschien nog het meest duidelijk in het derde verhaal over het duikersspel. Daarin slaagt ene Ollie er niet in om het spelletje mee te spelen. Alleen is het spelletje helemaal niet onschuldig en schiet hij er zijn leven bij in. Op die manier tracht Ball de bikkelharde meedogenloosheid van een samenleving op drift weer te geven. Een samenleving die helaas angstwekkend veel op de onze lijkt en waarin de zorg voor elkaar geen enkele betekenis meer lijkt te hebben.

Naar het einde toe krijg je gelukkig nog een poëtische reflectie, een soort tegengewicht. In een korte brief wordt een schuchtere, voorzichtige poging gedaan om al het viscerale geweld in deze roman van zich af te doen schudden. Al is het nog maar de vraag of dit voldoende is, want geweld ontstaat natuurlijk veel sneller dan je misschien durft te vermoeden.

Details Fictie
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
240