Jeroen van Rooij, De eerste hond in de ruimte

Origineel, poëtisch en ambitieus

Als de jongste Gouden Uil en Libris ons iets leren, dan is het wel dat je met gedurfde literatuur geen prijzen wint. Toch zijn er nog enkele dapperen die noestig verder werken aan de romans die ze willen schrijven, wars van alle verwachtingen. Neem nu de Nederlander Jeroen van Rooij (1979). Met ‘De eerste hond in de ruimte’ levert hij een even poëtische als ambitieuze debuutroman af.

‘De eerste hond in de ruimte’ mag dan wel zijn eersteling zijn, van Rooij is geen nieuweling in het literaire wereldje. De Nederlander is coördinator van De Reactor, het online platform voor literaire kritiek. Bovendien publiceerde hij al in tijdschriften als DW B en nY.

Vanaf de eerste pagina’s heet van Rooij je welkom in zijn universum. Je maakt er kennis met een man met amnesie, die steeds opnieuw zijn laatste ervaring opschrijft, als was het zijn eerste. Er is Laïka, de broer van een wolvenjong, die seksueel misbruikt werd door een bende demonenuitdrijvers. Maar bovenal is er de man die de dagen maakt. Dagenmaker is een ambachtelijke job. Het kost één jaar om één dag helemaal af te werken. Daardoor is de man bijna door zijn voorraad reservedagen heen. Hij is naar de stad gezonden om een oplossing te zoeken, maar drie ravende, mooie mensen kruisen er zijn pad.

De stad in kwestie lijkt verdacht veel op Berlijn. En is de zanger die er rondloopt David Bowie? Wie zal het zeggen? Waar we wel zeker van zijn, is de prachtige wijze waarop van Rooij zijn liefde voor de stad beschrijft. 'Alle verhalen spelen zich in de stad af… Zelfs de verhalen die niet uit de stad komen, komen er uiteindelijk toch terecht', weet één van de ravers. 'In de stad kun je iets worden, in een dorp ben je alleen maar iets en zul je dat altijd blijven', klinkt het verderop.
 
Die laatste gedachte komt van nog iemand anders: een migrantenmeisje dat verhalen verzamelt in de bistro van haar vader. In ‘De eerste hond in de ruimte’ krioelt het van de personages. Om het allemaal leesbaar te houden, speelt van Rooij met de typografie. Elke stem krijgt een eigen lettertype en daar moet je als lezer maar wijs uit zien te raken. Dit zorgt ervoor dat ‘De eerste hond in de ruimte’ niet het meest toegankelijke boek is. Zeker in het begin zit je naar de pagina’s te turen, maar na een tijdje geraak je eraan gewend.

Toegegeven, wij staan altijd wat weigerachtig tegenover zulke Spielerei. Is het goochelen met de vorm geen truc om het gebrek aan inhoud te camoufleren? In dit geval durven we beweren van niet. Al herinnerden we ons na het wegleggen van het boek toch niet helemaal meer wat we precies gelezen hadden. Wat wel overeind bleef, was de prachtige, poëtische stijl die van Rooij hanteert. ‘De eerste hond in de ruimte’ staat vol bloedmooie zinnen. En hoewel de delen waar de drie ravers aan het woord zijn, ons erg aan ‘Zwerm’, de geweldige roman van Peter Verhelst, deden denken, staat de originaliteit van dit debuut buiten kijf.

Vorige week haalde Inan Akbas op deze pagina’s hard uit naar het literaire wereldje: 'De reguliere uitgeverijen zijn angsthazen. Ze brengen alleen brave mainstream literatuur op de markt. Geef toe, de Vlaamse literatuur, dat stelt toch niks voor? Allemaal keurig geschreven flutboekjes zonder ambitie.' Voor die ambitie kunnen we blijkbaar wel nog in Nederland terecht - nu ja - of alleszins toch bij Jeroen van Rooij.

Details Fictie
Auteur: Jeroen van Rooij
Copyright afbeeldingen: Prometheus
Uitgever: Prometheus
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
187