Jan De Deken, 'Melk, honing en kerosine. Op reis naar de gelukkigste en ongelukkigste plaatsen van de wereld'

Makkelijk leesbaar branieboek

Er zijn van die gelukzakken die mogen reizen en er nog voor betaald krijgen ook. Soms een hongerloontje, net genoeg om een broodje voor de lunch te betalen, soms krijgen ze een ‘Round the World ticket’ om eerste klas de, jawel, ganse wereld rond te vliegen zonder een cent bij te leggen. Laat dertiger Jan De Deken uit Gent nu net bij de laatste categorie horen.

‘Melk, honing en kerosine’  is een reisverslag van een zoektocht naar de gelukkigste en ongelukkigste plaatsen op deze aardbol. Op basis van lijvige en minder lijvige onderzoeken als het ‘World Happiness Report’ van de VN of dat van onderzoeksbureau Gallup, trok De Deken met frisse moed en een zelfverklaarde journalistieke blik tussen 2010 en 2014 naar de verschillende continenten om eens na te gaan wat er eigenlijk precies klopte van die onderzoeken. 

De reis start in Peru, alwaar hij het ‘medicinale’ ayuhuasca probeert. Samen met zijn onlangs opgeduikelde lief ondergaat hij een trip die zijn weerga niet heeft. Ondanks zijn hevig positieve ervaring, verdwijnt het lief uit zijn leven na de trip, aangezien haar ervaring vooral negatief was. De tweede poging die hij vervolgens alleen onderneemt is minder aangenaam dan het eerste, of zoals hij het zelf zegt blijkt “Disneyland over verdomd angstaanjagende spookhuizen te beschikken”. Ayuhuasca heeft hem niet het geluk gebracht waarop hij hoopte.

In Uraguay lijkt hij zich echter beter te voelen, allicht vooral omdat het land volgens hem ‘precies als België’ is - een niet al te terechte conclusie. Na zijn verhaal wordt het Zuid-Amerikaanse land alleszins een stuk aanlokkelijker om naar toe te gaan. Mooi en warm is vooral zijn verhaal over en in Rwanda, waar hij met zoveel liefde en gastvrijheid wordt ontvangen dat hij er ongemakkelijk van wordt, en waar hij een jongen volgt die zijn best doet om zijn gezin uit de sloppenwijk en in de middenklasse te werken. De Dekens relaas over de BDSM-dames in Amerika is eveneens heel interessant en waardevol om te lezen, en Singapore en Japan hebben na dit boek enkel hun vooroordelen van bizarheid bevestigd. Het festival Burning Man lijkt ook vooral een verzameling van vervelende mensen te zijn in plaats van de geluksbrenger zoals De Deken het ervaart.

De Deken heeft een vlotte schrijfstijl waardoor het boek veel gemakkelijker verteerbaar is dan het onderwerp en de titel op het eerste gezicht doen vermoeden. Iets te vlot soms: zijn puberale maniertjes beginnen al regelmatig te storen. Zo is Hawaii het land van ‘de Polynesische babes’, begint de inleiding al goed door de nadruk te leggen op zijn Couchsurf-ervaringen ‘tussen de lakens’, betreurt hij zichzelf met zijn ‘hopeloos ouderwetse vriendin’ (in elke grap schuilt tenslotte een kern van waarheid) en wordt er vooral in bijna elk hoofdstuk wel een melding gemaakt van hoe aantrekkelijk hij is voor vrouwen. Hij vergoelijkt zijn drank- en drugsgebruik omdat hij tenslotte aan ‘participatieve journalistiek’ doet en lijkt zich niet altijd even bewust van zijn in het algemeen toch bevoorrechte positie, wat wel een vereiste lijkt voor een rol die hij zichzelf toemeet. Als hij zich een volwassener en minder grappig bedoelde schrijfstijl kan eigen maken, zullen zijn referenties aan literatuur en wetenschappelijke artikels ook minder protserig lijken. Pas dan zullen ze aankomen zoals ze ongetwijfeld bedoelt zijn: als degelijke onderbouwingen van een interessante queeste.

Details Non-fictie
Auteur: Jan De Deken
Uitgeverij: Querido
Jaar:
2018
Aantal pagina's:
416