Jan Blommaert, Karim Zahidi, 'De paradox van Hayek'

Vrijheid. En wat er vandaag onder te verstaan

Het beschaafde Westen werpt zich op als de bakermat van echte vrijheid. Het continent van de verlichting, uitvinder van de vrije markt, profeet voor gans de wereld. Dit bevrijdingsproject lijkt met het neoliberalisme zijn ultieme fase in te zijn gegaan.

Vrijheid. Iedereen denkt er wel het zijne over, maar een eenduidige definitie blijkt bijzonder moeilijk te vinden. Al is dat buiten de neoliberalen gerekend, met hun TINA-argument - There Is No Alternative - claimen zij de enige ware vrijheid in pacht te hebben. Neoliberalisme als vrijwaring voor absolute vrijheid. Jan Blommaert en Karim Zahidi analyseren deze opvatting over vrijheid en hun conclusies zijn verbijsterend. ‘De paradox van Hayek’.

Neoliberalisme, een nieuwe invulling van het liberale denken, heeft zijn wortels in de crisis van de jaren 70, samen met de nakende ondergang van de Sovjet Unie. Voor denkers als Friedrich Hayek is dan de tijd voor verandering aangebroken en dit wordt gretig gehoord door politici als Thatcher en Reagan. Volgens Hayek moet vrijheid strikt gedefinieerd worden als volledige individuele economische vrijheid. Anders gezegd: de vrije markt, met haar onfeilbare marktmechanisme van vraag en aanbod, moet het openbare en publieke leven organiseren. Dus, geen sociale zekerheid, geen openbare zorgverstrekking, geen publiek onderwijs, geen pensioenen, geen openbaar vervoer, en zeker geen restricties voor de arbeidsmarkt door vakbonden. Inmenging van de staat is in de ogen van Hayek de meest fundamentele schending van de mensenrechten. Voor openbare instanties is tenslotte geld nodig dat verkregen wordt via belastingen. Belastingen beperken de economische vrijheid want een persoon kan niet vrij beschikken over zijn totale economische middelen en dat is dus een schending van de neoliberale vrijheid.

Waar zit nu de paradox? Blommaert en Zahidi tonen aan dat streven naar totale economische vrijheid maakt dat vrijheid van de allergrootste groep burgers ingeperkt wordt. Werknemers, die beschikken over hun arbeid als handelswaar, moeten concurreren tegen elkaar in een verzadigde markt waardoor uitbuiting troef is. Zo is het aantal voorbeelden van ‘moderne slaven’ legio, zowel in ontwikkelingslanden, maar ook hier in het beschaafde Westen. Laat de omslagfoto voor zichzelf spreken.

Eigenlijk is het debat dat Blommaert en Zahidi schetsen eeuwenoud. Het gaat over het verschil tussen positieve en negatieve vrijheid. Positieve vrijheid vertrekt van gelijke kansen en stelt dat vrijheid gemedieerd moet worden door een overheidsinstantie. Bijvoorbeeld vrijheid van mobiliteit vergt openbaar vervoer, vrijheid tot vergaren van kennis vergt bibliotheken en scholen. Negatieve vrijheid daarentegen is enkel een conventie. Volgens de regel is iedereen vrij, maar men moet zijn vrijheid zelf bewerkstelligen.

De stelling in het boek dat streven naar zuivere negatieve vrijheid de positieve vrijheid inperkt en dit vervolgens te zien als een paradox, ligt niet volledig in de lijn van het vrijheidsconcept bij Hayek, aangezien Hayek stelt dat positieve vrijheid geen vrijheid is. Hierdoor maken Blommaert en Zahidi gebruik van enige retorische trucjes, al blijft hun maatschappijkritiek verschroeiend.

Blommaert en Zahidi blijven intellectueel eerlijk door te stellen dat het niet of zwart of wit is en geven kritiek op radicale invullingen van zowel positieve als negatieve vrijheid. Maar wat ze willen aantonen is dat we onder het politieke bewind van huidig rechts schrikbarend opschuiven naar een compromisloos uiterste, en dat is gevaarlijk.