J.A. Deelder, ‘Het graf van Descartes’

'Ik sta dus ik ben'

Gedurende ongeveer 360 dagen per jaar liggen ze, aan het zicht onttrokken, ergens op een kerkhof ver buiten de stedelijke drukte te zwijgen. In de periode rond Allerzielen laten we de doden echter weer even spreken. Graven worden naarstig gepolierd, de chrysantenindustrie doet gouden zaken en de kerken trekken wat meer volk dan gewoonlijk. De doden gedenken doen we nochtans niet graag, omdat we weten dat ons geen ander lot te wachten staat dan dat van diezelfde eeuwige stilte. Er zijn schrijvers die doodsangst als hun voornaamste drijfveer beschouwen: wanneer hun leven op zijn einde loopt, willen ze iets achterlaten, al zijn het maar een paar zinnen. In zijn welbekende sonnet raakt Shakespeare aan dat het geschreven woord onsterfelijk maakt wat erin beschreven wordt. Doet J.A. Deelder Descartes het eeuwig leven cadeau door zijn laatste bundel naar hem te noemen? Bezweert hij er zijn eigen doodsangst mee? Of neemt Deelder, voor de zoveelste keer, gewoon een loopje met de traditie, en in een beweging ook met zijn lezers?

In de eerste plaats is Jules Deelder dichter en voordrachtkunstenaar, maar hij liep zich de voorbije vijftig jaar via diverse andere kanalen in de kijker. Hij figureert in reclamespots en werd ooit tot bestgeklede Nederlander uitgeroepen, om maar te zeggen: aan het clichématige beeld van een sjofele, mediaschuwe poëet heeft Deelder nooit beantwoord. Daar draagt ook zijn werk de sporen van: ze pretendeert geen verheven ideeën, maar wil vooral ludiek zijn. In de cyclus ‘Engelse spoken’ beperkt de man zich bijvoorbeeld tot een aantal markante uitdrukkingen in ’s werelds meest verspreide taal. Aforismen als ‘There’s no business / like no business’ of ‘Fuck sex’ zijn niet meteen van een orde die men in een dichtbundel verwacht aan te treffen. Typisch Deelder is eveneens het swingende ‘Deelderijm’, waarin hij tientallen keren varieert op zijn eigen naam door er een suffix aan toe te voegen.

Een prozaïsche geestigheid is ‘Gezicht op Bergen’. Denk aan de kruising tussen een lyrisch verteller en de spraakwaterval van een of andere oom, en het resultaat laat zich ongeveer raden. Met woordspelletjes zit Deelders over regels verhakkelde poëzie overigens bomvol: ‘Made in Medellin’ ontleent er zijn humoristische karakter aan, alsook ‘Vlagvertoon’. Bijzonder licht zijn dan weer de observaties van ‘Op zeker’ en ‘Voor Klaas’. Die laatste is een heerlijk voorbeeld van hoe Deelder nonchalant goochelt met de taal tot er een simpel mopje naar boven komt, die eerste lijkt een zomaar voorbijvliegende gedachte. Weliswaar moet poëzie niet altijd meer zijn dan dat, maar wat het medium onderscheidt is vanzelfsprekend haar potentie om essenties bijzonder broos en gaaf uit de taal te boetseren, los van een grammatica en zonder gebruik te maken van een vocabularium dat alle mystiek meteen de kiem in smoort.

Wat ‘Groothandelsgeest’ en ‘Leerdicht’ losweken is fraai, terwijl het gedicht ‘An sich’ op de lachspieren blijft werken. Het zijn binnen deze bundel uitzonderingen, die na verloop van tijd niets van hun frisse aroma verliezen. ‘Het graf van Descartes’ bevat echter verschillende creaties waar de lezer zich niet blijvend toe aangetrokken voelt. Ook de cyclus die zijn naam gaf aan de bundel is in zijn totaliteit wat te losmazig, hoewel Deelder met een spitsvondigheid naar de filosoof kijkt waaruit blijkt dat hij nog lang niet alle mogelijkheden van de taal heeft geëxploreerd. Deze bundel bevat geen essentialia, maar doet dus toch al uitkijken naar de volgende.

Details Poëzie
'Ik sta dus ik ben', dixit Deelder.
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
64