Ivo Victoria, 'Dieven van vuur'

Het waaide vroeger harder

In ‘Dieven van vuur’ kneedt Ivo Victoria een rist autobiografische elementen tot een verhaal over eenzaamheid en het najagen van dromen. Hij houdt zijn rol van schrijver tegen het strijklicht: ‘Iemand heeft mij verzonnen om hun bestaan mogelijk te maken.’

Dat een mens nooit twee keer in dezelfde rivier stapt, weten we van Heraclitus. En dus dwalen we steeds verder af van wat we ooit waren. Een terugblik op het verleden kan eigenzinnige literatuur opleveren, dat bewijst Victoria in zijn derde roman, waaruit hij al een hele poos details lost op zijn blog. Hij verbindt twee afzonderlijke verhalen uit evenveel periodes, en plaatst een naamloze verteller in het brandpunt.

Victoria verrast: de epische finale waar hij naartoe schreef in ‘Gelukkig zijn we machteloos’ ruilde hij in voor een persoonlijk getinte zoektocht naar een groter verband. ‘Ik heb slechts willen geloven dat dit hele verhaal (…) meer is dan een samenloop van banaliteiten’, legt hij de protagonist in de mond. Alsof de schrijver zijn onvermogen wilde verbeelden louter genoegen te nemen met niets dan de feiten uit het verleden.

Die protagonist staat in de openingsscène een sigaret te roken op het terras van zijn Amsterdamse woning, en de grillige opbouw van Archie Shepps ‘On this night’ wervelt hem tegemoet. De Jazz slingert hem terug in de tijd, naar zijn geslaagde integratie in de hippe Antwerpse scene van de jaren negentig. Het vergde enige discipline, iedere avond een cocktail van alcohol en wiet, dat wel, en een afgelijnde dresscode: een krap bemeten kostuumvest boven een lijfje. Maar uiteindelijk hoorde hij erbij, bij Tom Barman en de ‘Steinerschoolachtige’ types die rond de charismatische frontman van dEUS zwierven.

Samen met twee vrienden rooft hij in die vrije jaren een uitgeteerd appartementsgebouw leeg, hun voornaamste buit: honderden jazz-elpees. De roes die hen naar die plek stuwde is niets meer dan een fait divers. De brieven die hij meegraaide uit de flat van Josée De Cuyper vormen het kloppende hart van ‘Dieven van vuur’. De jonge weduwe ontwaarde in DJ Clive Davis, de bezielde oprichter van de piratenzender Annick, de man die haar van het isolement zou redden.

De hoofdpersoon kan zich na al die jaren niet losmaken van de romance tussen Josée en DJ Clive, er stond iets op het spel waarop hij de vinger maar niet kan leggen en daarom daagt hij de waarheid uit met waarachtigheid. ‘Ik kan dit niet weten, maar het is waar.’ Hij definieert zichzelf als een ‘conservator van levens die zijn opgelost.’

De spagaat tussen onverschilligheid en nostalgie brengt de geloofwaardigheid van de protagonist in het gedrang. Onbewogen kijkt hij naar een voorstelling waarvan hij de regisseur is. Het vermoeden dat hij niet meer is dan een handelaar in fictie, knaagt aan het verhaal, het enige dat je Victoria kunt aanwrijven.

Het ritme van de roman is soepel door de vervlechting van de verhaallijnen, de elementen die hij steeds weer herneemt (het prevelende oudje, de waterader onder de Plantin- en Moretuslei, de brieven van Josée), de perspectiefwissel als hij Clive in beeld brengt en de bezwerende muzikale atmosfeer die hij de roman binnensmokkelt.

Toch is de bedrading van het systeem dat hij bestuurt niet altijd weggewerkt, of hij wil laten zien dat de reconstructie van een mogelijk verleden een hachelijke onderneming is. Precies dat metalaagje tilt de roman op een hoger plan. Met de verbeelding van het verleden ben je nooit klaar, hoe hard je ook verlangt naar een plot die zin geeft aan alles wat was.

Details Fictie
Auteur: Ivo Victoria
Uitgeverij: De Bezige Bij
Jaar:
2014
Aantal pagina's:
304