Ilja Leonard Pfeijffer, 'La superba'

Mercedessen en Rolexen

De hoop op een weldadiger leven dreef Ilja Leonard Pfeijffer naar Genua. In 'La superba' houdt hij die universele droom tegen het strijklicht. Als een flanneur struint hij door het labyrint van steegjes en pleintjes nauwelijks die naam waardig, erop beducht zijn fantasie uit handen te geven. In een laaiende stijl evoceert hij de opera buffa van het dagdagelijkse leven in het zuiden.

Een bonte stoet personages huist in Pfeijffers zevende roman: een Maghrebijnse rozenverkoper, een Brit - alleen aanspreekbaar tussen het derde en dertiende glas gin-tonic ('wat gemiddeld een window of opportunity gaf van drie uur tot zes uur') - en Djiby, een bootvluchteling uit Senegal. Maar vooral: een rist mysterieuze dames, sirenes die hem om en bij de lurven vatten, waaronder drie vrouwen die elkaar opvolgen als mooiste meisje van Genua. De feromonen gieren door het relaas, de auteur laat zijn status van vlijtige inwijkeling samenvallen met die van al even gretige minnaar.

Pfeijffer houdt van de controverse, hij daagt zijn publiek uit door de protagonist zijn eigen naam te geven. Voortdurend zoekt hij de ondefinieerbare scheidingslijn op tussen personage en schrijver. Andersom is hij genereus met aanwijzingen over hoe we dat grillige verhaal kunnen interpreteren. Herhaaldelijk ontrafelt hij achteloos de plot en verleent er met een niet mis te verstane ironie het karakter van een fait divers aan. Zelf is hij van mening dat een ongepolijste sprezzatura, een gekunstelde nonchalance, zijn schrijven kenmerkt. 'Pikzwarte hoertjes leunden op zwarte hoge laarzen tegen de grauwe muren van de duistere stegen.' Het is bovenal die overrompeling van adjectieven die de weelde van zijn zinnen stut.

Met uitweidingen over de wekelijkse hoogmis van het voetbal uit de Serie A en de traditiegetrouwe leefpatronen van de Italianen refereert Pfeijffer aan een resem Italiaanse gemeenplaatsen. 'Como si deve. Alles hoort te zijn zoals het hoort.' Het kon niet anders, verklaart hij verder. Het wekt de hoofdpersoon uit zijn labyrintische roes en sleurt de lezer mee in die ontnuchtering. Alsof die reisgidswijsheden iets toevoegen aan de thematiek van de weinig voor de hand liggende integratie, of zich enigerlei verhouden tot zijn innerlijke zoektocht.

Pfeijffer ondergraaft de opgang makende stelling dat kwalitatieve literatuur per definitie urgent van karakter is. 'La superba' is een bruisende ode aan de verbeelding. 'Maar dat ik overdrijf, wil niet zeggen dat het onwaar is wat ik zeg.' Vergis je niet, hij kijkt de duisternis staalhard in de ogen en laat bijwijlen een behoorlijk cynische stem horen, als hij de raison d'être van zijn schrijverschap in vraag stelt. Bevreesd laat hij optekenen dat de lezer niet langer belust is op de ontwortelende ervaring die een goede roman losweekt.

De fantasie geeft onze identiteit vorm, oreert de auteur gelouterd. 'We zijn figuranten in elkaars fictieve autobiografie. We zijn decor van elkaars illusies.' Alles wat ons omringt bestaat alleen bij de gratie van een door onszelf uitgeschreven scenario, 'Ik ben een god' van Willem Kloos waart door de roman. Pfeijffer schreef een lyrisch traktaat over het bijbelse verlangen naar een beter leven dat de geschiedenis van de mensheid al eeuwen zijn wil oplegt.

Details Fictie
Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
360