Guus Kuijer, Hoe een klein rotgodje God vermoordde

Over rotgodjes en profeten met hoogheidswaanzin

In "Hoe een klein rotgodje God vermoordde" stelt Guus Kuijer op een licht ironische manier een aantal vreemde aspecten uit belangrijke wereldgodsdiensten te kijk. Aan de hand van een subtiele taal-en tekstanalyse ontleedt hij bepaalde beweringen uit de Heilige Schriften van zowel het Christendom, het Jodendom als de Islam. Hiermee wil hij de legitimatie van het geweld in termen van religie onderuit halen. Gelovigen die de wapens opnemen in naam van hun God, zijn voor Kuijer niet meer dan aanbidders van een afkooksel van Hem. Een rotgodje dat niet de barmhartigheid predikt maar de oorlog. Het is duidelijk dat Kuijer schrijft vanuit een maatschappelijke frustratie. Af en toe zijn er directe verwijzingen naar Osama Bin Laden, de oorlog in Irak, president Bush en dichterbij de moordenaar van Theo Van Gogh en leider van de Hofstadgroep, Mohammed "het akelige bulletje" B. Kuijer schuwt geen politiek incorrecte uitspraken. Hij zet religieuze fundamentalisten in hun blootje en veroordeelt het geweld dat ze legitimeren met hun Bijbel. Bovendien kan en wil hij niet geloven dat er een goddelijkheid is die deze acties influistert. Daarom noemt hij zich ongelovig.
Voor Kuijer zijn de Heilige Schriften eigenlijk menselijke bedenksels en zijn alle verhalen die getuigen van (Gods) wreedheid een belediging. Een belediging voor de "echte God", een God die barmhartigheid predikt. Dit is niet het zoveelste moraliserende betoog van een om-de-wereld-bekommerde schrijver. Integendeel. Met de onbevangenheid van een kind kadert Kuijer een maatschappelijk fenomeen. Los van vooroordelen en met het nodige relativeringsvermogen, opent hij een deur voor dialoog. Zijn humoristische stijl lokt gegniffel en soms zelfs schaterlachen uit bij de lezer. In zijn positie van bemiddelaar kan hij kritisch reflecteren zonder persoonlijk te worden. Dit maakt de materie niet alleen licht verteerbaar, maar ook toegankelijk voor een groot publiek, jongeren bijvoorbeeld.
Kuijer is niet de nieuwe "Messias". Hij wil geen "gelovigen" kweken. Hem gaat het enkel over het aanklagen van enkele mistoestanden in de (religieuze) wereld waar vele mensen zich het hoofd over breken, waaronder het terrorisme en de onderdrukking van de vrouw. Hij toont aan dat fundamentalistische gelovigen eigenlijk veel "ongeloviger" zijn dan jij en ik. Op die manier draait hij de rollen om en humaniseert hij weer het godsbeeld: "voor een godsverschijning hoef je niet gelovig te zijn. God verscheen mij zo vaak dat ik ten slotte met haar ben getrouwd." Het godsprincipe is eigenlijk een manier om de wereld begrijpelijk te maken. Kuijer stelt vast dat ook God aan de menselijke logica is onderworpen: Hij moet nut hebben, anders sterft Hij.
De fijnzinnigheid van dit boek zit echter niet enkel in de ironie. Ook de taal- en tekstanalyse waar Kuijer wel kaas van gegeten heeft, doet zijn werk. Door de teksten van de Heilige Schriften niet te vertalen naar hun ontstaansperiode, maar naar het nù, krijgt de lezer op zijn minst enkele bizarre kronkels te zien. Interpretatie moet er zijn, maar gebeurt bij fundamentalisten "anders" als gevolg van hun fout en wreedaardig godsbeeld. Ook Kuijer heeft een handje van weg van manipulatie. Hij steekt dit echter niet onder stoelen of banken. Zijn gedrevenheid is ontroerend, zijn stijl echte klasse. Met lichte spot haalt hij zo het extremisme onderuit, en dat is prachtig. We hadden zelf niet beter gekund.

Details Non-fictie
Auteur: Guus Kuijer
Uitgever: Athenaeum-Polak & Van Gennep
Jaar:
2006
Aantal pagina's:
167