Saskia de Coster, Held

Ze is een held - ze is géén held - een béétje - helemaal?

Een van de grootste beloftes van de literaire lage landen, zo wordt Saskia de Coster genoemd. Geheel in navolging van haar ijskoningin-imago schrijft ze zelf haar naam met kleine d. Dat kan haar vergeven worden; als prille dertigjarige werd ze al redactrice van 'DWB' en mocht het schrijversappartement in Amsterdam zes maanden lang kosteloos squatten, ze staat bekend om haar stilistische hoogstandjes en de critici jubelen als scharrelvarkentjes over hoe ze haar eigen universum creëert. Een mens zou van minder opvliegers krijgen.

 

Dat soort mediafenomenen verleidt tot praten over de vrouw, eerder dan over het boek. 'Held' begin je dan ook te lezen met hooggespannen verwachtingen. De bizarre en navelstarende een-op-eenverhouding van de hoofdpersoon en haar liefdesobject – pardon, aartsvijand – is een thematiek die vanaf de aanzet sterk ruikt naar Amélie Nothomb. De spanningsboog die de Waalse uitstekend beheerst, is bij De Coster echter wat slapper. En het mogelijk venijnig Houellebecqiaans bedoelde sarcasme komt eerder over als gematigde ironie. Al snel pikt de novelle echter een fijne tred op en lijkt het verhaal zelfs een aanloop te nemen naar iets groots. Echt ingelost wordt die onderhuidse belofte niet, hoogstens afgewikkeld - of is het gesmoord?

 

Geen oninteressante vraag, want van het antwoord hangt het waardeoordeel af. Waar een anticlimax prikkelend werkt voor de een, geldt die voor de ander als irritant. Vanaf dat moment splitste onze kritische geest zich dan ook onvermijdelijk in twee helften, en geen van beide verveelde zich. De linkerkant bewonderde de experimentele wandelwegjes van De (de?) Coster, haar veelgeroemde stilistische kattensprongen, haar subplotjes en op het verkeerde been zetten van de lezer. De rechterhelft zag dat respectievelijk als afleidingsmanoeuvre, taalgezochtheid en onafgewerkte zijbreisels. Beide helften apprecieerden de miniatuurroadmovie binnen het boek, net als de doorgedreven verpersoonlijking van 'mevrouw gps', die praatziek wijsneust over liefde, wegen en de gezondheid van Lien, de ik-persoon. Maar allebei vonden ze het einde er een beetje... ach, aangebreid.

 

Maar los van elke smaak kan dit boek met geen mogelijkheid slecht worden genoemd; De Coster heeft een pen die beklijft. Zo heet de baas die met golfballetjes speelt God en wordt een kinderfeestje pijnlijk levensecht beschreven. Dat soort moeiteloos charmante schetsen sleuren een lezer lichtjaren dichter bij een verhaal. Toch is dit een opaak boek door zijn ijle, ongrijpbare, wat naar magisch realisme zwemende karakter.

 

We raken er, geheel in de stijl van het boek zelf, niet uit wat we daarvan nu moeten vinden. Is het een kenmerk van De Costers schrijven, een kwaliteit, of een gebrek? Maakt dit van haar een eeuwige en dus oningeloste belofte in het vagevuur van drie sterren? Of een vijf sterren waardige literaire nieuwe held, die nog steeds de spanningsboog van haar carrière opbouwt? Onze linkerhelft supportert. Onze rechterhelft houdt zijn hart vast. Afspraak bij de volgende De Coster. U cliffhangt toch ook?

  

Details Fictie
Auteur: Saskia de Coster
Uitgever: Prometheus
Jaar:
2007
Aantal pagina's:
121