Heinrich Heine, 'Memoires en bekentenissen'

Bekentenissen

'Een knaap houdt van een meisje/Dat van een ander houdt/Die ander koos een ander/En is ermee getrouwd/Het meisje trouwt uit woede/De eerste de beste man/Die haar voor de voeten kwam lopen/De knaap is er akelig van/Het is het oude liedje/Toch is het nooit passé/En is het je net overkomen/Dan breekt je hart in twee.'

Nogal wat cryptische rijmelarij gaat door voor diepzinnig. Heinrich Heine (1797-1856) - net als Rilke - bewees dat goede poëzie onmiddellijk kan inslaan. De schrijver uit Düsseldorf was behalve dichter ook nog eens een voortreffelijke schrijver van reisreportages waarin hij de sfeer van een stad kon weergeven in een paar goedgekozen zinnen. Joseph Roth moet Heinrich Heine goed gelezen hebben.

Naar het einde van zijn leven besloot hij zijn mentale zolder leeg te maken. Een geschreven, bescheiden testament.

Heines kenmerkende warme toon schemert door in het portret van zijn oom. Een schuchtere man die zijn tijd spendeerde aan lezen en schrijven in een 'oude, stijve kanselarijstijl'. Samen met een dikke angorakat verblijft de jonge Heinrich op zijn zolder. In een wereld waar de tijd lijkt stil te staan, maakt hij kennis met literatuur.

'Maar die goede oude sprookjestijd is verdwenen [...] en de vliering van de Ark van Noach bleef een stoffige rommelkamer, een hospitaal voor ongeneeslijke huisraad.'

Ondanks de romantiek die doorschemert in zijn werk, blijkt hij allesbehalve een aanhanger van de stroming. Dat laat zich merken in de manier waarop hij de figuur Jean-Jacques Rousseau op het kapblok legt. Uiterst helder analyseert hij de 'oprechtheid' van Rousseau, waarin hij een alibi meent te ontwaren om andere schrijvers te kunnen belasten. Zelfverklaarde gevoelige zielen zijn immers vaak virulent voor hun omgeving.

In een van de laatste hoofdstukken rapporteert hij over de invloed van Hegel op zijn denken. Hij bekent zich aanvankelijk heroïsch te voelen wanneer het besef binnensijpelt dat hijzelf op aarde zélf de Lieve Heer is. Toch keert hij terug naar een vorm van deïsme.

'Ik keerde terug in de nederige kudde van Gods schepselen [...] ik ben bescheiden genoeg om niet meer, zoals vroeger, te gaan beunhazen in de goddelijke voorzienigheid.'

Het is de constante toon in dit werk. Hier is iemand aan het woord die van zijn hart geen moordkuil maakt, relativeert maar toch verdraaid goed weet waar de waarde van zijn werk ligt.

Voor wie Heine al enigszins kent, zal dit werk een welkome aanvulling vormen.