Haruki Murakami, ‘Romanschrijver van beroep’

Japanse bescheidenheid aan de keukentafel

Eindelijk, de eenzelvige Japanner treedt naar buiten. Met zijn nieuwe essaybundel ‘Romanschrijver van beroep’ geeft hij de lezer een inkijkje in zijn vijfendertig jarig bestaan als romanschrijver. Dat doet hij op zijn eigen, bescheiden manier: ‘Ik snap zelf niet eens goed hoe ik eigenlijk romanschrijver ben geworden.’

Wie de teruggetrokken auteur al wat kent, kan ook voor deze essaybundel zijn bingokaart bovenhalen en beginnen af te strepen: jazz, katten, hardlopen. Een handvol anekdotes zijn al gekend bij Murakamifans: zijn epiphany – het moment tijdens een honkbalwedstrijd waarop hij wist: ik ga een roman schrijven – en de nachtelijke uren aan de keukentafel waarin hij ‘Luister naar de wind’ op geruit papier kribbelde, met zijn gloednieuwe vulpen van tweeduizend yen.

In het openingsessay heeft Murakami weinig fraais te vertellen over romanschrijvers. Het zijn doorgaans mensen ‘van wie je bezwaarlijk kunt zeggen dat ze over een innemende persoonlijkheid beschikken’. Bovendien zijn het niet de scherpste geesten. Want voor wie zijn thema rechtuit en intelligent kan verwoorden, is het volstrekt overbodig om het in een verhaal te verpakken. Schrijvers kunnen dat echter niet en hebben de omweg van parafrases en metaforen nodig. Het brengt hem tot de volgende definitie van romanschrijvers: ‘een slag mensen dat met alle geweld onnodige dingen nodig heeft.’

Het begin is typisch Murakami. Relativerend, metaforisch, helder. Het prikkelt. Fans en aspirant-schrijvers hongeren naar een blik achter de sluier. Hoe doet Murakami dat toch, om in zijn onderbewuste te graven en zijn beelden te laten opwellen? Heel eenvoudig: hij gaat aan zijn bureau zitten en schrijft. Hoe prozaïsch en banaal! En ook de overige essays blijven pragmatisch: een dagelijks rondje lopen houdt de geest scherp, een literatuurprijs al dan niet winnen is irrelevant, en wie wil schrijven, moet zich vooral bevrijd voelen van verwachtingen.

Dat pragmatische houdt deze essaybundel eerder dor. Terwijl we bij ‘Waarover ik praat als ik over hardlopen praat’ een aantal keer smakelijk hebben gelachen, bekruipt de desinteresse ons hier. Ook ons kan het immers niets schelen of Murakami die Akutagawaprijs nu wint of niet. Murakami blijft ook maar herhalen dat hij de waarheid niet in pacht heeft en de excuses stapelen zich op. ‘Sorry als ik wat drammerig overkom’, lezen we.

Die voorzichtige houding is eigen aan de Japanse cultuur, waarover Murakami zich hier voor het eerst kritisch uitlaat. De Japanse literaire wereld is star en als nieuwe auteur moet je je positie op één à twee vaste assen bepalen. Wie zich buiten dat frame begeeft, wordt automatisch een outsider. Soortgelijke kritische geluiden horen we over het onderwijs in Japan, dat erop gericht is om ‘schaapachtige persoonlijkheden’ te kweken ‘die met z’n allen in groepsverband naar de bestemming worden geleid.’ We mogen best wat katachtiger zijn, aldus Murakami.

Wie met deze essays hoopt om een laagje van Murakami’s mysterieuze air af te krabben, komt bedrogen uit. We moeten het stellen met kruimeltjes: Murakami heeft een mind palace waarin hij anekdotes opstapelt, hij schrijft zijn roman in één keer en last daarna herschrijfrondes in, zijn vrouw is zijn eerste lezer. Dat neemt niet weg dat de essays door Murakami’s vlotte stijl doorgaans vlot weglezen. En voor doorwinterde fans blijft het een plezier om instemmend te knikken als Murakami zichzelf als koppige katpersoon wegzet: ja, zo kennen we hem. En nu weer uitkijken naar een roman.

 

Details Non-fictie
Auteur: Haruki Murakami
vertaler: Luk Van Haute
Uitgeverij: Atlas Contact
Jaar:
2019
Aantal pagina's:
239