Jan Baeke, Groter dan de feiten

Over de beklemming van de zomer en de liefde

‘Groter dan de feiten' is de vierde dichtbundel van Jan Baeke (1956). De bundel beslaat het relaas van een zomer als een chronologisch liefdesverhaal in gedichten. De hoofdpersonages zijn een koppel - ik en jij - op reis in een mediterraan land. Een beklemmende zomer en een broeierige hitte vormen de setting van deze prozaïsche, surreële poëzie. De gedichten kunnen apart of per cyclus gelezen worden, maar de uitdaging zit in het geheel.

De stijl kenmerkt zich door onregelmatige, rijmloze verzen. Enkel de vijf delen hebben een titel; de gedichten zijn telkens genummerd. Het eerste deel, ‘Alleen het begin telt', beschrijft scènes tussen de ik-persoon en zijn partner, onderweg in een bus en samen in een hotelkamer. De gedichten zijn beschrijvend, maar ook bevreemdend, en de reisconnotatie zit in veel elementen. ‘Wat ik in de hotelkamer vond was al van anderen geweest / was van herinneringen doortrokken. / Kanttekeningen die ook mij aangingen / routes die, wat iedereen weet, naar de verkeerde plaatsen voeren.' (‘3') Vuur, sigaretten en as zijn terugkerende beelden. Het inleidende gedicht van de bundel begint met ‘Vragen, in tijden van vuur komen ze tevoorschijn / om voor de rook een minnaar te zijn. [...]' Dat de vrouw (‘jij') rookt, is een belangrijk element doorheen de hele bundel.

In deel 2, ‘De kant van de zomer', wil de verteller ontsnappen aan de zomer. ‘1': ‘Ik heb het raam dichtgedaan om de zomer niet te horen / maar de zon brandt door de muren [...].' Het gaat over de hitte, het zweten en de verschroeiing van de zomer. Hier draait het niet langer om de ik- en jij-figuur, maar over hoe de ik met de zomer omgaat, over het vastzitten op reis en het feit dat je elders ook niet kunt ontkomen aan bepaalde dingen.

De warmte blijft beklemmend in ‘Wat niet anders kon', het derde deel. Dat er een kanarie op de cover van het boek staat afgedrukt, mag geen toeval heten, want de kanarie is ook een terugkerend motief in elk deel. In deze cyclus vertrekt de partner: ‘Alles verliep volgens de ernst van dit moment. / Het fluiten van de kanarie / de hond op het plein / jouw vertrek / mijn krank- / uitzinnig- / somber- / stom- / heid.' ('11') Het vierde deel ‘De honden' begint met ‘Ik loop door een stad die mij niet liefheeft / maar waarom zou hij ook.' (‘1') De ik blijft achter en de honden zijn een belangrijk motief, op het magisch realistische af.

In het laatste deel, ‘Ik heb hem bedacht', wordt nooit duidelijk wie ‘hem' is. De jij-figuur is nog steeds verdwenen en woorden als ‘sneeuw', ‘kou' en ‘winterjas' staan in schril contrast met de hitte van de zomer voorheen. Verder in de cyclus lijkt de jij-figuur terug aanwezig, maar dat kan net zo goed in het hoofd van de ik-figuur plaatsvinden. Het eindvers kan doorgaan als thema van de hele bundel: ‘Dit is een vraag die over / liefde gaat of over een man / die een hotel binnenloopt. // Wat is het dat ik jou wil vertellen?' (‘13')

Als lezer word je toegelaten tot een intiem gebeuren. Toch word je op afstand gehouden, want de poëzie is nergens bepalend en veel elementen blijven open. De gedichten op zich komen pas tot hun recht in het geheel. Dan opent zich ten volle een gecreëerde wereld die je van dichtbij wilt volgen. De eindeloze herhaling van honden, vuur, warmte, zomer, sigaret, handen, kanaries, honden, ... worden wel vervelend op den duur, maar toch heb je de neiging om de bundel in één keer te willen lezen. Door de chronologie en thematiek krijg je een grote betrokkenheid. We willen de prijzen niet slaafs nalopen, maar dat deze bundel genomineerd is voor de VSB Poëzieprijs 2008 is een terechte erkenning.

Details Poëzie
Auteur: Jan Baeke
Copyright afbeeldingen: De Bezige Bij
Uitgever: De Bezige Bij
Jaar:
2007
Aantal pagina's:
89