Flip van Doorn, 'De eerste wandelaar'

De ziel gaat te voet

'De eerste wandelaar' handelt over Jacobus Craandijk, een predikant die besloot in de 19de eeuw zijn wandelingen dwars doorheen Nederland aan het papier toe te vertrouwen. Daarbij bediende hij zich van een taal die balanceerde tussen beschrijvingsdrift en overspannen lyriek. Mos is 'mollig', een woudduif kirt 'zwaarmoedig' en zonlicht straalt op het 'tedere' groen.

Craandijks achtdelige 'Wandelingen door Nederland met pen en potlood' vormen de basis voor van Doorns bespiegelingen over de figuur van Craandijk en zijn rol binnen de wandelbeweging. Wat is zijn erfenis? Hoe bekijken we natuur anno 2017? Kunnen we nog argeloos rondwandelen? Is de wandelaar per definitie romantisch van inborst?

Interessant zijn de talloze passages waarin van Doorn in een paar zinnen trefzeker de veranderende wisselwerking tussen mens en natuur in kaart brengt:

'Normalisering was in de dagen na WO II de eufemistische vakterm voor het rechttrekken van bochten en meanders om snellere afvoer van water te bewerkstelligen ... Het water moest zo snel mogelijk naar de zee ... Maar het tij keerde ... Het nieuwe toverwoord is hermeanderen: bochten in een beek of rivier herstellen die bij een eerdere ingreep afgesneden of rechtgetrokken zijn.'

Wanneer hij door de binnenstad wandelt, merkt hij op dat delen van de beek hersteld zijn 'als stijlelementen, als decorstukken in het winkelgebied'. Op zulke momenten hoor je bijna het tandengeknars van de auteur, temeer omdat dit boek een pleidooi is voor wandelen 'zonder horloge'. Waakzaam blijven voor details in het landschap, je blik aanscherpen.

Het hoofdstuk 'vrij wandelen' leunt dicht aan bij Robert MacFarlane ('De laatste wildernis') en vormt een hoogtepunt. Wanneer de auteur over een zandpad wandelt, realiseert hij zich dat het deel uitmaakt van een oude handelsroute. Even bevindt hij zich daar op een kruispunt van de geschiedenis:

'Ik volg hun spoor, zoals zij het spoor van hun voorgangers volgden. Zo ontstaat een pad.'

Door continu te citeren uit Jacobus Craandijks werk - de eerste honderd bladzijden lijken wel op een hagiografie - dreigt de auteur zichzelf bij momenten onder te sneeuwen. Spijtig, want wanneer van Doorn een bordje voorbijwandelt dat zuinig meldt 'Tramslachtoffers 1897-1907' blijkt dat een opmaat voor een passage die de sociale verhoudingen van die tijd accuraat schetst:

'En waar meer en meer mensen kennismaken met de genoegens van het wandelen, blijven boerenarbeiders lopen. Zij hebben geen keuze.'

Sociale verhoudingen leken echter niet besteed aan Craandijk, wat ervoor zorgt dat zijn lyriek bij momenten aanvoelt als de vertelstem van Sal Paradise in Kerouacs 'On the road'. Net zoals Paradise geen oog heeft voor de mensen rond zich heen en jaagt op kicks, lijkt Craandijk zich bijna als een junk te laven aan de schoonheid van de natuur.

Wie voorbij kan gaan aan de overvloedige Craandijk-passages, vindt een verdraaid lezenswaardig boek over de complexe relatie tussen mens en diens omgang met de natuur rondom hem. Een werk waardoor je als lezer je eigen wandelgewoontes onder de loep neemt.

Naar het einde van dit boek toe, stelt van Doorn: 'Het is maar goed dat ik geen camera bij me heb. Het uitzicht laat zich niet vatten in pixels, ik vraag mij zelfs af of het aan fotopapier zou hechten.' Het lijkt inderdaad ons geen slecht idee om af en toe te vertrouwen op het eigen, falende geheugen. Herinneringen heb je vaak liever korrelig dan haarscherp.

Details Non-fictie
Uitgeverij: Thomas Rap
Jaar:
2017
Aantal pagina's:
464