Eva Gerlach, Het gedicht gebeurt nu

Het ademt en het loopt

Hoe vat je dertig jaar dichterschap samen? Eva Gerlach deed een poging in 'Het gedicht gebeurt nu', waarbij ze meer deed dan enkel de tussen 1979 en 2009 verschenen bundels binden aan één rug: ze herwerkte, herschikte en selecteerde. Onze gooi naar zo'n samenvatting is minder ambitieus: de kracht van haar poëzie tonen we liefst middels enkele ijzersterke gedichten.

Gerlach is geen dichter van de bonnefooi. De verantwoording en de aantekeningen zijn een lust voor de literatuurwetenschapper, of voor de lezer die verder wil snuffelen. Alvast dus een pluim voor het detail waarmee de verzamelde uitgave gepaard gaat. De gedichten zelf zijn gedichten voor het leven, in vrijwel alle betekenissen: ze gaan over 'het leven'; ze zijn genoeg voor een heel leven (verspreid over ruim 400 pagina's); en ze zijn meestal van blijvende kwaliteit. Neem bijvoorbeeld het gedicht 'Voortgaande beweging':

'Ze zijn gaan wentelen in de nacht, ze / ademen zo (met horten) en ze draaien / van hun ene op hun andere. Je mag ze / nu niet storen. Beter dat ze in hun zware / heen- en teruggolvende vlees en vet / blijven zuchten, steunen en wentelen zo / dat je van je plaats daarnaast geen stap meer / zet. Laat ze om hun as bewegen, houd hun / traagheid onveranderd, ga niet tegen / ze in. // Beter is het niet te strelen, ook niet / zachtjes, er is weinig nodig / om een evenwicht te vinden, weinig / om het te verstoren. Laat tot / nader order niemand ze aanraken, / laat ze liggen hier beneden / deze deken als oogbollen rollend onder / meegevende leden, laat ze zich / zo bewaren dat de wereld doorgaat / tel na tel. En blasfemeer en / scheld, jammer, jank maar laat ze je niet horen.'

Bij eerste lezing bleef het ons wat mysterieus. Slechts mondjesmaat sijpelde het beeld van iemand die waakt aan een ziekbed door. Wie is hier degene die al die aanbevelingen doet (stoor ze niet, laat ze onaangeraakt, laat ze je niet horen)? En tegen wie? De slaper - of die nu ziek of oud of allebei is - wordt enerzijds ontdaan van menselijkheid door in te zoomen op de materialiteit van hun lichaam, maar krijgt anderzijds een vertederende broosheid, kwetsbaarheid. We weten niet wat er gebeurt als de slaper wakker wordt, maar slaap is sowieso beter.

De dichter drukt zich, hier en elders, heel compact uit: 'dat je van je plaats daarnaast geen stap meer / zet'. Los van het klankrijm is deze uitdrukking een verwonderlijke samenvoeging van van plaats veranderen, een stap zetten, en ergens een plaats naast (het bed) hebben. Ze vat exact de dwang om op dezelfde juiste plaats te blijven. Het is immers beter om de voortgaande beweging, de kwetsbaarheid van het leven, niet te verstoren.

De zinnen, ook al zitten er vaak erg mooie tussen, krijgen hun zeggingskracht voornamelijk door het verband waarin Gerlach ze plaatst, zoals ook in 'Zat'. Daarin 'weet' een god die je in de nacht komt slaan 'niet wat dood is, iets als donkere maan gelooft hij'. Deze zin heeft wel degelijk oneliner-kwaliteiten, maar de echte poëzie ligt erin dat - geschetst in en middels de rest van het gedicht - de onsterfelijkheid van de god eerder een gebrek wordt dan een streepje dat hij voor heeft op zijn aanbidders.

In 'Alba' is er opnieuw de oneliner-kwaliteit ('de nacht / juist als een vlies gebroken'), en weer brengt het geheel die mooie woorden op een (nog) hoger plan. Gerlach beschrijft hoe vreemd een dagelijkse omgeving ('messen in halfslaap / dwars over borden, slingerend servet, / het ingewikkeld werk van kruimels op tafel') kan zijn als je er op een vreemd tijdstip en buiten de normale functies  (ontbijten of eten) om tegenaan kijkt. Geheel nonchalant combineert ze die tastbaarheid van de messen met het spreken over 'een ruimte, een tint' van de dingen - ook de abstracta zijn stevig en concreet bij Gerlach.

Toch wagen we ons op basis hiervan niet tot absoluut geldende generalisaties. Het dichterschap van Eva Gerlach is daarvoor qua thematiek en ook qua stijl te veelomvattend. Wel valt ons het ritme op, dat vaak wisselend is, hier en daar stokt, maar dat ons daardoor juist doet denken aan het natuurlijkste van alle ritmes: het ritme van een gedachtestroom. Wij lezen verder, laven ons aan deze klepper en denken graag mee.

Details Poëzie
Auteur: Eva Gerlach
Copyright afbeeldingen: De Arbeiderspers
Uitgever: De Arbeiderspers
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
477