Erwin Mortier, ‘De spiegelingen’

Als (talige) wellust de pijn ten dans vraagt

De balans van Erwin Mortiers leven, de voorbije tien jaar? Het in 2008 verschenen ‘Godenslaap’, over de Eerste Wereldoorlog en hoe moeilijk het is om zich met taal toegang te verschaffen tot die wereldbrand, leverde hem de AKO Literatuurprijs op. Daarna vertaalde de man drie romans van oorlogsverpleegsters uit diezelfde oorlog. Tussendoor bracht Mortier nog gedichten, essays, een onvolprezen Virginia Woolf-vertaling en een autobiografisch meesterwerk (‘Gestameld liedboek’) voort. En inmiddels ligt ‘De spiegelingen’, waarvan de wortels zich eveneens in de periode ’14-‘18 bevinden, in de boekhandel te wachten op een paar gulzig lezende ogen. Gulzig, want zo broos en tegelijk zo sensueel wordt proza zelden op papier besteld.

Kreeg Helena in ‘Godenslaap’ nog het woord, dan geeft Mortier de fakkel nu door aan haar broer Edgard. Dat is een homoseksueel oorlogsslachtoffer, die er een liaison op nahoudt met haar echtgenoot Matthew. Als een schim dwaalt het personage door het kasteel van de hem resterende dagen, geregeld bezocht door herinneringen aan geleefde liefdes. Hun onmogelijkheid om bestendigd te worden loopt als een rode draad doorheen zijn leven, een dat in het teken stond van een bij voorbaat hopeloze zoektocht naar een paar armen dat precies om de omtrek van zijn borst paste, naar een welving onder de oksels waar zijn hals zich definitief thuis kon voelen.

Er zit zoveel in de roman dat het moeilijk is om ergens te beginnen. Prominent aanwezig is de homoseksualiteit, die zich in dat tijdsgewricht als een batterij ingehouden zuchten en zoenen moest voltrekken. Niet het echtelijk bed, maar kamers te klein voor zoveel opgespaard genot en stegen zo donker dat zelfs ejaculaat er zwart uitslaat, zijn de oorden waar Edgard zich aan bekende en onbekende lichamen laaft. Zijn verlangen om zijn pijnen, divers van aard, opgeheven te weten, is hartroerend. In zinnen die overlopen van zinnelijkheid vereeuwigt Mortier de seksualiteit, ongeacht haar geaardheid, tot de bron van vertrouwelijkheid die ze tussen minnaars ook is. De schoonheid en de vreugde tijdens, de gewijde stilte na en het petillante lonken ervoor: de veelheid aan ideeën en handelingen die de menselijke seksualiteit omvatten, spiegelt Mortier in zijn laatste roman af.

Met de pijn van een seksualiteit die nooit "altijd" kan zijn, verbindt Mortier de jeremiade van een generatie die zich voor de frustraties van een andere als kanonvoer liet gebruiken. Noem het een kunstgreep, maar via zijn minnaar Heinz heeft de schrijver het ook over de valkuil van de Tweede Wereldoorlog, waar even zovelen opnieuw met open ogen intrapten. Mortier komt met zijn verschillende verhalende parameters echter niet tot een overkoepelende synthese. Hij legt zijn personage in de mond ‘onooglijk’ te willen zijn, en daar is de toon van de langgerekte brief die Edgard schrijft ook naar. Niet iedereen zal dit langgerekte epistel, waaruit sporadisch een lichtend besef opstijgt, daarom van harte kunnen appreciëren. Mortier heeft echter gelijk als hij er vanuit gaat dat kleine mensen en kleine levens geen grote filosofieën behoeven.

Edgard kent zijn plaats, opgeslokt als hij is door de plooien van de geschiedenis. In dat olfactorisch weldadig landschap van linnen, waartussen Edgard zijn vergankelijke passies beleeft, exalteert Mortier zijn lezers echter met zorgvuldig gecomponeerde poëzie. Menig korte alinea zou je uit het boek willen scheuren en inkaderen. Wees echter gewaarschuwd: eenmaal je daaraan begint, hou je van ‘De spiegelingen’ uiteindelijk niet veel over.