Eric Min, 'De eeuw van Brussel'

Stad van stront en diamenten

Een boek over een deel van de historie van Brussel in het Nederlands geschreven? "Excusez-moi?": zullen veel Brusselaars gedacht hebben toen Eric Min met zijn werk op de proppen kwam. Als ze het überhaupt een blik waardig keuren, daar Frans de voertaal is en men immer enigszins nuffig in die taal wordt aangesproken. 

Dat is niet altijd zo geweest. In 1850 zijn van de 111.000 inwoners driekwart van Vlaamse komaf. Of ze beter bekeken werden dan nu is de vraag. Het is de tijd waarin Charlotte Brönte en zuslief Emily in hun opgedirkte korsetten door de parken paraderen. In een van haar wereldberoemde romans schrijft eerstgenoemde over de Vlamingen: "hun verstandelijke vermogens waren over het algemeen zwak, hun dierlijke driften sterk [...] ze waren dom maar tevens bijzonder koppig, zwaar als lood en, zoals lood, moeilijk in beweging te krijgen." 

Het zijn dergelijke anekdotes die 'De eeuw van Brussel' relatief eenvoudig leesbaar maken. Iedereen passeerden in vliegende vaart de revue: Marx verwierf er zijn ideeën voor het Communistisch Manifest, Freud dronk er koffie, Jacques Brel zingt zijn hart uit zijn borst, Multatuli's Max Havelaar is er geboren, estheet Stefan Zweig stopt zijn lyriek niet onder stoelen of banken: handenvol dichters, schrijvers, muzikanten en nog veel meer dames van lichte zeden proberen er hun geluk te vinden. Of deze 'morsige stad', deze 'metropool van bordkarton' daarvoor de juiste plek is, is iets wat een ieder in Mins boek zich afvraagt. Het is overduidelijk dat Mins hart reeds lang geleden verloren is in de rosse buurten, kerken en cafés van de Belgische hoofdstad. Met een gezonde portie ironie en sarcasme gaat hij deze liefde te lijf, om aan het eind ervan te moeten constateren dat het nimmer, nimmer overgaat. In dit duel zal hij veel van zijn lezers voor hem en zijn stad winnen.  

De Belle Époque is nergens zo mooi als in Brussel. Nergens anders spuwt Baudelaire zo zijn haat, nergens anders schreef hij zo veel. Misschien door het gebrek aan het kunnen flaneren, want dat "[...] een dierbare tijdsbesteding voor volkeren met fantasie, is er onmogelijk." Toch is dat wat Victor Hugo meer dan wie dan ook doet. Als politiek banneling spendeert hij zijn beste tijd hier. Of het verhaal van Rodin en Picard of dat van zottin Neel Duff: allemaal zijn ze prachtig opgetekend. 

Min weet perfect hoe hij mensen tot het einde toe kan boeien. Het is een fascinerende uiteenzetting van de geschiedenis van Brussel tussen 1850 en 1914. Veelkleurig als de vredesvlag beschrijft hij zijn stad tot in de kleinste, intiemste en soms zelfs gênante details. De eerder genoemde tweestrijd tussen haat en liefde heeft altijd al zijn vleugels uitgeslagen over alle facetten van de samenleving. Straatnaamborden zijn altijd al in twee talen geweest. Geweldenaar Paul Verlaine is ‘un vilain bonhomme’ maar behoort evenzogoed tot de beau monde. ‘le sonnet du trou de cul’ vat het redelijk goed samen: Brussel is als een quatre-mains over de reet en de liefde tegelijk, in rijmend vers gevat. Brussel is van stront gemaakt, maar ook van juwelen en goud. Stinkend maar schoon, een draak maar eveneens een schitterende jonkvrouw, een plaats voor gruwelijke moorden maar ook een stad van de liefde.

Vergeet 19e eeuws Parijs. Brussel, dat is waar je zijn moest in die roerige Gouden Eeuw. Konden we maar terug in de tijd met Eric Min als gids. Maar helaas, vertelt hij ons al in de proloog: "de toekomst wenkt". En dan is er koffie. Godzijdank kan dat ook in Brussel. 

Details Non-fictie
Auteur: Eric Min
Uitgeverij: De Bezige Bij Antwerpen
Jaar:
2013
Aantal pagina's:
418